Het is onmiskenbaar dat de kerk in ‘het Westen’ steeds minder mensen aan zich weet te binden en weet te trekken. Van verschillende kanten worden er dan ook initiatieven ontplooit om de kerk te vernieuwen en daardoor weer aantrekkelijker te maken voor de mensen in het huidig tijdgewricht. Al in de zestiende eeuw stond de kerk voor deze opdracht. Men vatte het toen samen in een mooie Latijnse spreuk: Ecclesia reformata semper reformanda secundum verbum Dei. In goed Nederlands betekent dat zoveel als ‘de kerk wordt vernieuwd en moet zich blijven vernieuwen volgens het woord van God’. sola

Vandaag de dag wordt er met nieuwe vormen geëxperimenteerd: in de Protestantse Kerk bijvoorbeeld ontstaan pioniersplekken om op een nieuwe manier aanwezig te zijn in de levens van mensen. Op zich allerlei goede probeersels. Ikzelf maak daar met mijn blog, mijn aanwezigheid op Facebook en Twitter ook onderdeel van uit. Je moet als kerk, als christenen altijd blijven openstaan voor de beweging  van de Geest en die niet uitdoven.

Echter…

Een grote valkuil is dat de kerk zich zo wil aanpassen aan de huidige tijd dat zij zoete broodjes gaat bakken: mensen alleen laten horen wat zij graag willen horen. Hoe makkelijk wordt het ‘secundum verbum Dei’ niet vergeten. Het woord van God blijft  ook altijd een element bevatten dat mensen mensen niet graag willen horen! Ik moest hierbij denken aan een  aantal verzen uit 2 Timoteüs  ‘De tijd komt dat mensen zich zullen verzetten tegen de juiste uitleg van het geloof. Ze zullen leraren zoeken die passen bij hun eigen ideeën, en die zeggen wat ze graag horen. De mensen zullen niet meer naar de waarheid luisteren, maar naar verzonnen verhalen.’  Waar de kerk voor moet oppassen is dat zij niet gaat denken zij zelf degene is die zich moet blijven vernieuwen om zo de aansluiting met de huidige tijd niet te verliezen. Dat staat haaks op de Latijnse spreuk waarmee ik mijn column begon. Het is immers God alleen die Zijn kerk blijft vernieuwen en haar blijft ontdoen van door mensen verzonnen ideeën. En dan is de kerk bakker, of beter gezegd verstrekker van het genadebrood dat God ons geeft. Brood waar je soms je tanden op stuk bijt omdat het soms zo tegen alle menselijke ideeën ingaat. Dat de kerk zich blijft vernieuwen, niet volgens onze wil en ons woord, maar in overeenstemming met Gods Woord en Zijn wil.

Daarom: Ecclesia reformata semper reformanda secundum verbum Dei

Advertenties

Kortgeleden kreeg de preses van de Protestantse Kerk, ds. Van den Broeke, emmers vol kritiek over zich heen, omdat ze het waagde om koning Willem Alexander (belijdend christen) erop te wijzen dat hij in zijn publieke uitingen geen gewag maakt van zijn geloof in God. ‘Hoe ze het toch durfde’ was de mening van velen ‘geloof is immers iets privé, dat op z’n best achter de voordeur mag worden beleden en dus geen plaats heeft in het publieke domein’. Ik hoorde ik deze kritiek tot mijn verbazing ook van medechristenen ‘zoiets zeg je toch niet en helemaal niet in deze tijd waarin een IS (Islamitische Staat) met een beroep op een religie vreselijke terreurdaden begaat. Alsof wij en masse, christenen incluis, zijn gaan geloven in de verbeeldde werkelijkheid dat de mensheid zich verder heeft ontwikkeld tot een samenleving waar God geen plaats meer heeft, hooguit als folkloristische hobby die een kleiner wordend groepje mensen mag blijven beoefenen als andere mensen er maar geen last van hebben. Onze seculiere maatschappij, met praktisch atheïsme is gebaseerd op een seculiere moraal. Deze moraal bepleit het individuele geweten, de mens als hoogste maat der dingen en gaat voorbij aan God en Jezus Christus. Deze maatschappij waarin we alleen maar kunnen vertrouwen op eigen kracht, op eigen daden en waarin wij ons leven helemaal zelf kunnen en moeten vormgeven. God is weggeschreven uit de geschiedenis en zijn volgelingen ‘ach, de stumpers’.

Onze maatschappij gebaseerd op een christelijk-(modern)humanistische grondslag. ‘Wij hebben God vermoord, jullie en ik!’ liet Friedrich Nietzsche zijn dolle man zeggen in de vrolijke wetenschap ‘Wij zijn allemaal zijn moordenaars!‘. Maar meteen kwam hij ook met een analyse van die maatschappij zonder God ‘Dwalen we niet als door een oneindig niets? Gaapt de holle ruimte ons niet aan? Is het niet kouder geworden? Komt de nacht niet voortdurend sneller en sneller? Moeten er ‘s morgens geen lantaarns aangestoken worden?’ Onze samenleving is er een zonder ziel, zonder hoop. We zijn vrij, we zijn onze eigen meester… maar wat heeft ons dat opgeleverd? Ongelovigen geloven het ongelooflijksteWe zijn bang als mensen onze leefwijze afwijzen,als zij ons ongebreidelde ‘vrijheden’ veroordelen.

Vrijheid; de Duitse filosoof Rüdiger Safranski schreef hierover een belangwekkend boek:  Het kwaad of het drama van de vrijheid. In dit boek beschrijft Safranski – nadat hij allerlei filosofen heeft behandeld – de mens die leegte en chaos ervaart wanneer geen god of levensbeschouwing hem de weg wijst. Men dacht dat de mens vanwege het feit dat hij redelijk is op een normale wijze kan samenleven met de ander. Zolang ieder zich maar houdt aan de basisspelregels. Zolang de redelijkheid bewaard wordt, blijft ook het samenlevingssysteem overeind. Maar de redelijkheid weet niet iedereen meer te boeien. Het onredelijke, het kwaad blijkt diep in de mens verborgen te zitten. Het jezelf als middelpunt van het universum te wanen. Dat is uiteindelijk het kwaad, dat zich tracht zich ‘zich een goed geweten aan te meten’. Wat ik doe dat is in de regel toch goed? Vrijheid is het toverwoord. Maar vrijheid is geen gemakkelijkheidsoplossing, maar iets waarmee de uitdaging nog maar gesteld is.

Vrijheid zoekt ook naar ankerpunten, een ethiek en leefregels die haar mogelijk maken.Vrijheid zonder maat brengt enkel zelfvernietiging voort en oorlog. Ankerpunten zijn te vinden in de Tien Geboden, het evangelie van Jezus Christus. Dat zijn de richtlijnen die God ons gaf om mensen een leven te laten leiden in vrede, broederschap en eensgezindheid. Deze uitgangspunten, deze ankerpunten voor een maatschappij zullen echte rechtvaardigheid voortbrengen, echte ontwikkeling en vrede. Geloven, leven in afhankelijkheid van de door God gestelde normen, dat is pas vrijheid! Maarten Luther, de Duitse kerkreformator omschreef ‘vrijheid’ zo: Een christenmens is een vrij heer over alle dingen en niemands onderdaan; een christenmens is een dienstbare knecht van alle dingen en ieders onderdaan. Of zoals het in Romeinen 14 vers 17 staat: ‘Het Koninkrijk Gods is niet eten en drinken, maar rechtvaardigheid, vrede en blijdschap door de Heilige Geest.’  Ik stel mijn vertrouwen niet op ‘eten en drinken’, op ‘voedsel en kleding’, op ‘zekerheden, die ik in de hand heb’. Ik vertrouw op gerechtigheid, op het recht van en voor de ander die door God aanvaard is. Ik geloof in de keuze voor het recht van de armen, van de verdrukten en van hen die geen helper hebben. Ik vertrouw op vrede, ik kies voor het welzijn van de ander, en van Gods schepping. Mijn blijdschap is dat ik mij samen met de ander verheug in God, in het leven.

Houdt de radicale islam ons in wezen ook niet een beetje een spiegel voor. Zij willen gaan voor een radicale gehoorzaamheid aan hun God, helaas met hun  verwerpelijke uitwassen van terreurdaden. Maar waar gaan wij voor? Een beetje dit, een beetje dat. Steeds maar schipperen en vooral je kop niet boven het maaiveld uitsteken. Of gaan wij ook navolging, maar dan van Christus? Voor échte vrijheid.

Het asiel- en uitzettingsbeleid van de overheid blijft veel Nederlanders bezighouden. Vooral wanneer uitgezetten of uit te zetten personen een gezicht krijgen volgt een golf van medelijden. Te denken valt aan de kortgeleden uitgezonden documentaireserie ‘Uitgezet’ over over het lot van uitgezette asielkinderen en het afschuwelijke verhaal van Renata, ht Georgische meisje dat is uitgezet naar Polen terwijl ze lijdt aan leukemie. Organisaties die de belangen behartigen van asielzoekers gebruiken dit soort verhalen om de asielprocedure in Nederland aan de kaak te stellen.

Even weggeredeneerd van deze concrete gevallen lijkt het me goed om eens vanuit de ethiek het vluchtelingenbeleid tegen het licht te houden. Hierover gaat deze column.

Formeel kunnen volgens de conventie van Genève van 1951 en het bijhorend protocol van 1967 mensen pas als vluchteling worden erkend als ze kunnen aantonen dat ze individueel vervolgd worden door de overheid van hun land wegens hun ras, godsdienst, nationaliteit, politieke overtuiging of omdat ze tot een bepaalde sociale groep behoren. Deze conventie en/of het protocol zijn door 145 landen ondertekend en leveren de meest gebruikte criteria op om iemand als vluchteling te erkennen. Natuurlijk is het duidelijk dat er heel wat andere situaties zijn te bedenken waarin de menselijke waardigheid in het geding is en bescherming verdient. Zo kan ook vervolging door niet-gouvernementele organisaties of door ‘tradities’ (vrouwen die op de vlucht zijn voor vrouwenbesnijdenis, bijvoorbeeld) een reden zijn voor een vluchteling.Mensen kunnen echter ook op de vlucht zijn voor ecologische factoren, burgeroorlogen, overbevolking en armoede. Momenteel is het echter wel zo dat mensen die armoede, werkloosheid en andere sociaal-economische factoren ontvluchten niet in aanmerking kunnen komen voor bescherming hoewel het voor een ieder overduidelijk zal zijn dat bijvoorbeeld armoede de menselijke waardigheid schendt. De vraag is echter of hieraan tegemoet gekomen moet worden via een asielbeleid,goed wetende dat de meest hulpbehoevenden hier toch nooit kunnen geraken.
Wie de menselijke waardigheid van de armsten wil beschermen, kan dat beter op een andere manier doen. Bovendien is het bijzonder moeilijk criteria op te stellen vanaf wanneer mensen als ‘economisch vluchteling’ erkend zouden kunnen worden. Is werkloosheid voldoende of moet men kunnen aantonen dat men het gezin niet meer kan onderhouden en de kinderen honger lijden?
Nogmaals: ik herhaal de doelstelling van het vluchtelingenbeleid in het algemeen: het vluchtelingenbeleid moet erop gericht zijn zoveel mogelijk mensen op te vangen die onvrijwillig hun have en goed hebben moeten verlaten, en effectief bescherming nodig hebben.
wat moeten we dan doen met de middelen die ons ter beschikking staan? Moeten we zoveel mogelijk asielzoekers hier opvangen of moeten we die middelen zo veel mogelijk inzetten voor het creëren van oplossingen in de landen van herkomst van de vluchteling?
Moetn we hen die in ons land asiel aanvragen in het beste geval terugsturen met een terugkeerpremie, of als ze lang genoeg illegaal onderduiken een verblijfstatus geven? Dit is in zekere zin ‘onrechtvaardig’ ten aanzien van de potentiële vluchteling die nooit tot hier is gekomen, of nooit heeft
willen komen.
Het lijkt er sterk op dat, zoals de realiteit nu is, onze verdeling van middelen eigenlijk onrechtvaardig is.
Hier botst het ethisch perspectief van de rechtvaardigheid met het perspectief van het medelijden.
Puur op basis van abstracte rechtvaardigheidsprincipes zullen we vooral moeten investeren in de opvang, vredesprogramma’s, heropbouwprogramma’s
in de landen en regio’s van herkomst.
Maar op basis van de ethiek van het medelijden moet de aandacht vooral gaan naar de concrete mens die zich in onze onmiddellijke omgeving bevindt en
waarvoor we onszelf gemakkelijker verantwoordelijk achten. dubbele moraalEn juist op dat gebied beweegt zich ons gevoel: in de sfeer van de ethiek van het medelijden. Want, o ja, veel mensen zijn voorstander van een streng maar rechtvaardig asielbeleid, maar o wee wanneer een vriendinnetje of
een leerling uit de school wordt teruggestuurd, dan worden er plots door diezelfde mensen solidariteitsacties georganiseerd, brieven geschreven enzovoort.
Anders gezegd: in de ethiek van het medelijden maakt men zich drukker om mensen die terecht worden uitgewezen maar van wie we vinden dat zij ‘om humanitaire redenen’ toch hier zouden mogen blijven terwijl men in de ethiek van de rechtvaardigheid zich druk maakt over elke euro die hier overbodig wordt besteed aan mensen die asiel aanvragen, maar geen kans maken om ooit erkend te worden. Die middelen, zo vindt men dan, zouden kunnen worden aangewend om een vluchtelingenbeleid op wereldschaal beter gestalte te geven. Of nog, vanuit het perspectief van het medelijden is het de bedoeling de mensen die zich hier aandienen zoveel en zo goed mogelijk te helpen.
Vanuit het perspectief van de rechtvaardigheid daarentegen is het niet de bedoeling om hier zoveel mogelijk mensen toe te laten, maar stelt men zich de vraag hoe we de middelen rechtvaardig kunnen besteden om het vluchtelingenbeleid te optimaliseren.

Zeker, zo’n abstracte rechtvaardigheidsethiek is niet ‘menselijk’. Wie het individuele en maatschappelijke leven enkel en alleen zou inrichten op basis van rechtvaardigheidscriteria,die heeft geen leven meer. Anderzijds schiet ook het perspectief van het medelijden tekort. Het medelijden is een essentieel onderdeel (startpunt)van de ethiek, maar de ethiek moet het medelijden verbreden, uitdiepen, rationaliseren en generaliseren. Mensen moeten als morele wezens de onderbuikgevoelens met de meer abstracte principes van het verstand confronteren en omgekeerd.
Het gaat dus om een combinatie: we kunnen het niet maken iemands asielaanvraag te weigeren omdat we al ons geld willen steken in buitenlandse projecten – nog los van de argwaan over het feit of dat inderdaad wel zou gebeuren.
Anderzijds kunnen we het ook niet maken in ons vluchtelingenbeleid enkel rekening te houden met de mensen die naar hier komen om bescherming en
medeleven te vragen en het breder perspectief buiten beschouwing te laten. Maar om deze twee denkwijzes te combineren blijft een erg lastige klus.

We moeten nu echter wel de volgende afweging maken: ofwel is het een nobele doelstelling om de asielprocedure zuiver te houden, op straffe van meer illegale migratie; ofwel willen we de illegale migratie uitbannen door meer asielzoekers tot de procedure toe te laten – ook al hoort men er eigenlijk
niet in thuis. Volgens mij is alleen de eerste optie verdedigbaar.
De bedoeling van de asielprocedure is nog steeds dat de vluchteling bescherming kan worden geboden, niet dat die procedure een aanmeldcentrum wordt voor mensen die hier een tijdje willen verblijven om welke (begrijpelijke) reden dan ook.

Spartaan of Samaritaan? Mijns inziens moeten we dus zowel het een als het ander zijn. Spartaan, naar Sparta wier inwoners – zo wil de overlevering – hun kinderen met harde hand en discipline opvoedden, zowel als Samaritaan, naar de gelijkenis van de barmhartige Samaritaan uit de Bijbel die een onbekende in elkaar geslagen man verzorgde.
Wat duidelijk is dat in de discussie over asiel-, vluchtelingen- en migratiebeleid met regelmaat moreel geladen termen opduiken. Toch moeten we vaststellen dat een echte ethische discussie over de kern van de zaak weinig wordt gevoerd. Meestal trekt men zich terug in het eigen gelijk en de vooroordelen ten aanzien van de tegenspeler.

Ten slotte: is in deze discussie ook nog een taak weggelegd voor de kerk? Volgens mij moet de kerk hierbij haar taak zoals zij die vanouds heeft oppakken, namelijk door een luis in de pels te zijn. Een poging hiertoe deed de Protestantse Kerk in haar communiqué:

‘Wat te doen met uitgeprocedeerde asielzoekers? Ze moeten terug. Maar ze gaan niet allemaal terug. Waarom niet? Sommigen omdat ze bang zijn terug te keren. Anderen omdat ze niet terug kunnen. Weer anderen kunnen wel terug maar willen gewoon in Nederland blijven. Iedereen heeft een eigen verhaal. Van de een klopt het verhaal, van de ander niet.
Net als onder alle groepen zitten er onder asielzoekers goedwillenden en kwaadwillenden. Maar hoe dan ook: ze zijn (nog) in Nederland. De Protestantse Kerk vindt, dat er daarom een zorgplicht is van de overheid voor deze mensen. Klinkeren’, ze op de straat terecht laten komen zonder zorg, is niet goed. Op de straat leven is een slecht leven. Het kan zelfs je dood betekenen. Het is ook niet goed voor de samenleving.
De overheid vindt dat ze geen zorgplicht heeft ten opzichte van hen die illegaal zijn. Om die reden heeft de Protestantse Kerk, via de Europese Raad van Kerken een klacht ingediend bij de Europese Commissie van sociale rechten. Op 1 juli besloot deze commissie dat de klacht ontvankelijk is. Hier is op de website melding van gemaakt. De klacht zal dus in behandeling worden genomen. Wat is de inzet? Dat uitgeprocedeerde asielzoekers recht houden op voedsel, kleding en onderdak. Volgens de Protestantse Kerk heeft ieder dat recht. Volgens de regering alleen zij die hier legaal verblijven. Wat de uitslag is, weten we niet. Het is wel goed nieuws dat de klacht grond genoeg heeft in het Europese recht om serieus genomen te worden.
Waarom vindt de Protestantse Kerk dat de overheid een zorgplicht heeft? In de eerste plaats omdat ook uitgeprocedeerde asielzoekers mensen zijn, die het recht hebben op leven. Laat het zo zijn dat ze hier ten onrechte nog zijn, ook dan laat je mensen niet de noodzakelijke middelen van bestaan ontberen.
In de tweede plaats omdat het hier gaat om mensen die vaak een traumatisch verleden hebben. Ongedocumenteerd op straat komen, voegt nieuwe trauma toe. In de derde plaats, omdat nu wel gebleken is dat niet terug willen heel verschillende redenen heeft. Natuurlijk zitten er kwaadwillenden onder de asielzoekers, maar moeten de goedwillenden daaronder lijden? Is het niet beter de zon te laten opgaan over goeden en kwaden? In de vierde plaats is de uiteindelijke kans op terugkeer groter wanneer er een voortdurende zorgplicht van de overheid is. Anders verdwijnen mensen en keren ze in ieder geval nooit terug.
Terugkeer is vaak het enige wat er op zit. Daar gaat de Protestantse Kerk niet dwars voor liggen. Integendeel. Er zijn zogenaamde transitiehuizen, waar de kerk initiatiefnemer van is. Het gaat dan wel om terugkeer met perspectief. Perspectief op veiligheid, maar ook op de mogelijkheid in het levensonderhoud te voorzien.

De kerk keert zich niet tegen overheden. De kerk gaat ook niet op de stoel van de overheid zitten. De kerk gaat ook niet over de vraag wie wel of niet een status krijgen. Maar de kerk dient wel op te komen voor mensen in de marge. De beschaving wordt afgemeten aan de vraag hoe om wordt gegaan met de wees, de weduwe en de vreemdeling, zo leren we uit de Bijbel. De menselijkheid staat op het spel. Dan kan de kerk niet zwijgen. Dan moet ze spreken, in Gods naam. Desnoods door een klacht.’

Wat mij betreft een stap(je) in de goede richting. Nu nog meer en weer het instituut ‘kerkasiel’ weer afstoffen…

Laatst las ik onderstaande mededeling op de site van de PKN:

‘De Protestantse Kerk in Nederland heeft 2.085.843 leden verdeeld over 1623 gemeenten (plaatselijke kerken). Dit staat in de statistische jaarbrief 2013 die vandaag verschijnt. Dat betekent dat de Protestantse Kerk meer leden telt dan alle voetbalverenigingen van Nederland samen (de KNVB heeft 1,2 miljoen leden).’

Het valt mij op dat er de laatste tijd veel gerefereerd wordt aan de voetbalsport als het gaat om het voor het grote publiek voorstelbaar maken van volumes: ‘het pand krijgt een oppervlakte van ruim drie voetbalvelden’ of ‘er waren x-aantal mensen aanwezig, dat is 3 maal De Kuip’. Nooit wordt iets vergeleken met zeg maar een hockeyveld of de lengte van de rokjes van speelsters op het tennisveld… En nu volgt de PKN ook dit taalgebruik. Maar dan wel met een kleine aanpassing…

Ik zie het voor me: op het commandocentrum van de PKN in Utrecht zit iemand van marketing hard na te denken om de taal van de kerk aan te laten sluiten bij de seculiere samenleving, en ja ‘eureka!’, atletiekbaanook de het ledenaantal van de kerk kun je uitdrukken in voetbaltermen: ‘de kerk telt meer leden dan alle voetbalverenigingen van Nederland samen!’ Mmm, origineel zou zijn geweest om het ledenaantal van de kerk te vergelijken met de oplage van de IKEA-gids (die een aantal jaar gelden de status van meest verspreidde ‘boek’ van de Bijbel overnam) al denk ik dat het aantal leden van de PKN wat schril afsteekt tegen het aantal verspreidde exemplaren van de IKEA-gids… Nog origineler zou zijn geweest het ledenaantal te vergelijken met iets uit de worstelsport of iets uit de breedte van de atletiek. Zo leg je toch ook weer de verbinding met de Bijbel (1 Korintiërs 9)…

Maar niets van dit alles: iemand heeft verzonnen de voetbalsport er weer bij te halen. Om in die termen te blijven: nu we in de ‘extra tijd spelen, de tribunes vol zitten met publiek dat ons aanmoedigt (hoeveel ‘Kuipen’ dat ook mogen zijn), weten we dat de cup zeker is. Oké, de bal is rond ( ‘la pelota esta redonda’ in Cruijffiaans Spaans), het lijkt nog alle kant op te kunnen gaan, maar wij kennen de uitslag van de wedstrijd toch al!

… deur die naar stilte openstaat.
Muren van huid, ramen als ogen,
speurend naar hoop en dageraad.
Huis dat een levend lichaam wordt
als wij er binnengaan
om recht voor God te staan.

Zo zingt Tussentijds het in lied nummer 10.
Over dit huis en een belangrijk persoon binnen de kerk, de predikant, wordt veel nagedacht.
Theologenbeweging Dominee 2.0 komt met betrekking tot de dominee met een opmerkelijk voorstel:
in plaats van de huidige aanstelling van een predikant ‘voor het leven’ pleit zij er voor een predikant aan te stellen op basis van contracten met de duur van 7 jaar. Zo, zegt men, voorkom je dat een predikant tot zijn emeritaat aan een gemeente verbonden blijft zonder dat de gemeente de mogelijkheid heeft zich van desbetreffende dominee te ‘ontdoen’. Aan het eind van zo’n periode vindt er dan een evaluatie plaats, een ‘functioneringsgesprek’, een gesprek over gedane werkzaamheden en behaald resultaat, waarin het optreden van de predikant wordt bekeken en gekeken wordt of men voor een komende periode nog wel met elkaar door wil gaan. De ‘domineesmarkt’, zo is het idee, moet meer bij de tijd worden gebracht, in lijn met de buitenkerkelijke arbeidsverhoudingen. Een bijkomend voordeel, zo meent men, is dat is dat er meer omloopsnelheid komt onder dominees, en dat men bepaalde ‘specialisten’, want deze constructie verplicht predikanten om zich interessant voor gemeentes te (blijven) maken, op tijdelijke basis kan ‘inhuren’. In eerste instantie lijkt dit een sympathiek voorstel waar misschien ook beginnende predikanten garen bij spinnen. Echter, er zijn zeker een aantal vragen bij te stellen. Laat ik er een paar stellen: creëer je door tijdelijke contracten niet de hijgerigheid die er juist buiten de kerk heerst. Waar buiten de kerk juist veel kritiek begint te klinken over ‘flexwerkers’ zou dit concept binnen de kerk moeten worden geïntroduceerd voor predikanten. Het lijkt mij een idee wat nog eens goed en kritisch doordacht moet worden. Niet dat een predikant niet kritisch moet kijken naar eigen functioneren en daar zeker ook op aangesproken mag worden, maar kan een predikant een gemeente nog op een kritische wijze de gemeente een spiegel voorhouden; een spiegel die niet altijd even gewenst is. Of moet de predikant met in zijn achterhoofd komende afloop van het contract zich gaan beperken tot het lijmen en pamperen van zijn gemeente. En een tweede vraag zou kunnen zijn: hoe kan een predikant zich specialiseren als je kijkt naar de overvolle agenda van veel dominees. Specialiseren kreeg je niet vanuit de opleiding mee, je moest juist van alles een beetje weten; en nu moet men zich gaan specialiseren om zo mogelijk interessant te blijven voor de markt. Daarenboven, heeft men nagedacht over de oudere predikant (en dat begint al na je 45ste), in het huidige kader niet meer interessant voor veel gemeentes die altijd maar inzetten op de noodzaak van het trekken en/of vasthouden van de jeugd en jonge gezinnen; iets wat in hun ogen een ‘oudere’ predikant echt niet meer kan. Of moet een predikant zich vooral toeleggen op de oudere kerkganger, maar wel oog houden voor de hele breedte van de gemeenschap. Zijn er überhaupt gemeentes die enkel en alleen een ‘specialist’ vragen, is het niet veeleer een alleskunner die ze willen hebben? Het zijn zomaar een aantal misschien voor de hand liggende vragen die zeker ook de revue mogen passeren. Is de kerk ‘zomaar een dak boven wat hoofden’ waar de buitenkerkelijke normen en regels gelden, of een gemeenschap die op een andere manier met elkaar om wil gaan?

‘Zomaar een dak boven wat hoofden’. Dit brengt mij bij het punt waar het gaat over de kerk. Over een concept genaamd ‘De Nieuwe Bijbelschool’, een platform waar vragen van nu worden betrokken op een opnieuw leren lezen van de Bijbel als sparring-partner voor mensen ‘van buiten de kerk’, die op verschillende plekken in het land ontstaat. In deze Bijbelklasjes ontmoeten niet-kerkelijken elkaar en lezen en bestuderen onder begeleiding van een theoloog de Bijbel. De ervaring leert dat nogal wat mensen geïnteresseerd zijn in de verhalen van de Bijbel. een opblaasbare kerkZe doen kennis van de Bijbel op en komen in aanraking met geloof. (ik zie een analogie met Alpha- en soortgelijke andere cursussen Maar de mensen kunnen niks met het taalgebruik in een reguliere eredienst, ze passen qua sociale context niet tussen de kerkgangers of ze willen vooral hun eigen beginnende geloofsgemeenschap behouden. Want haast automatisch nodigt de Bijbel uit om je leven te delen met anderen. Waar dat gebeurt, ontstaan vormen van gemeenschap.

Deze beweging, maar ook het nadenken over de predikant, roept vragen op over wat kerk-zijn is. Wanneer ben je kerk? Een LEVEND lichaam? Dienen deze gemeenschappen te worden ingepast in bestaande kerkelijke structuren en verbanden? Hoe gaan wij om met de dominee, wat moet zijn taak zijn en in wat voor vorm is betrokken bij een gemeenschap?

Zijn de ramen, om met lied 10 uit Tussentijds te spreken, geopend om de Pinkstergeest te laten waarheen hij wil of houden we ramen liever potdicht om het vuur door gebrek aan zuurstof langzaam uit te laten gaan?
Me dunkt, het zijn waardevolle initiatieven die en mogelijke weg kunnen wijzen naar Kerk 2.0.

Wordt vervolgd zou ik zeggen…

‘Armoede is geen schande voor wie arm is, maar voor wie armoede veroorzaakt’

Franciscus van Assisi

‘Habemus Papam!’ Het was vorige week niet van de lucht. Onze katholieke zusters en en broeders hebben een nieuwe bisschop van Rome gekozen, die tevens functioneert als een primus inter pares en wereldwijd het gezicht is van de Rooms-Katholieke Kerk. Hoewel je als protestant misschien je schouders kunt ophalen bij zoveel commotie rond een nieuwe paus, toch is het wel degelijk belangrijk wereldnieuws. Paus FranciscusHet Amerikaanse zakenblad Forbes plaatste zijn voorganger paus Benedictus XVI vorig jaar nog in de topvijf van machtigste personen ter wereld. Hij verkeerde daarop in het gezelschap van de leiders van de VS, Rusland en Duitsland, alsmede van Bill Gates, de oprichter van Microsoft. De argumentatie van Forbes voor deze hoge notering valt te volgen: de paus staat aan het hoofd van 1,2 miljard katholieken, verspreid over de hele wereld, van wie velen grote waarde hechten aan zijn standpunt over ethische kwesties. Het moreel gezag van de ‘plaatsbekleder van Jezus op aarde’ is groot.

Natuurlijk kun je cynisch zijn over de eerste openbare handelingen van de nieuwe paus, die de naam Franciscus voor zich heeft gekozen, en die afdoen als een geslaagd PR-offensief om het gebutste blazoen van de katholieke kerk weer wat uit te deuken en op te poetsen, maar zelf vind ik deze optredens hoopvol.

‘Armoede is geen schande voor wie arm is, maar voor wie armoede veroorzaakt’ zei de man wiens naam en hopelijk ook zijn idealen de nieuwe paus heeft gekozen. In Latijns-Amerika heeft Bergoglio, zoals hij toen nog heette, bewezen midden tussen de armen in te willen staan en compassie met hen te hebben. Ook tijdens zijn eerste pauselijk optreden bleek hij zo op te treden. Mijn hoop is dat hij tijdens zijn pontificaat deze houding voortzet en ook uitbreidt. Dat hij ook een hand wil uitstrekken naar de mensen die geestelijke armoede ondervinden en ook de veroorzakers van die armoede probeert aan te spreken op hun verantwoordelijkheid.

ik hoop op een rijk gezegend pontificaat waarin armoede op velerlei gebied bestreden mag worden. Opdat het moreel gezag van het christendom in de wereld weer gehoord en gewaardeerd mag worden en dat de wereldwijde oecumene door hem bevorderd mag worden.

Vandaag las ik de tekst van Moeder Teresa ‘Wat wij doen is slechts een druppel in de oceaan. Maar als we het niet deden, zou de oceaan kleiner zijn vanwege deze ontbrekende druppel’.

Ik kwam op deze tekst toen ik wat zat na te denken naar aanleiding van de titel van mijn column van deze week. Een ‘mer à boire’, een zee om leeg te drinken, staat voor een onbegonnen werk. Ja, zo gezien lijken veel zaken in het leven soms een onbegonnen werk. Moeder TeresaMaar het helpt om een uitdrukking vanuit een ander perspectief te zien, zoals Moeder Teresa dat deed. Al lijkt onze arbeid soms nutteloos en draagt het ons inziens weinig bij aan het oplossen van wereldomvattende problemen, ze hebben wel degelijk nut.

Vanuit dat perspectief kun je het Veertigdagenproject 2013 van Kerk in Actie en Stichting Present misschien ook zien. Ze organiseren in de Veertigdagentijd zogenaamde Veranderdagen. Ieder lid van de Protestantse Kerk kan zich inschrijven voor de Veranderdagen en in de regio de handen uit de mouwen steken voor kwetsbare mensen buiten de kerk. De deelnemers maken kennis met mensen die ze anders waarschijnlijk niet zouden ontmoeten. Misschien lijkt het op mondiale schaal maar een miniem druppeltje in de oceaan of op de gloeiende plaat, maar als we het niet deden wat dan?

Wellicht schat ik het initiatief van de Wereldbank ook zo in. Zij zoekt namelijk een einddatum voor armoede. Dat stelde de nieuwe president van de ontwikkelingsbank, Jim Yong Kim. In eerste instantie kwalificeer je zo’n oproep als volledig absurd. Onbegonnen werk. Armoede de wereld uit… en bij de eerste de beste crisis in de westerse wereld, een van de grote gelddonoren, wordt er gekort op de gelden die naar armoedebestrijding gaan.

En toch, zo’n initiatief vormt een druppel in de oceaan, in het perspectief van Moeder Teresa althans. Maar het helpt anders te denken, om te denken. Zogezegd een Veranderdag in één uitspraak.

Deze week begon voor de christenen de Veertigdagentijd.  Deze periode is van oudsher een tijd van inkeer, bezinning en gebed ter voorbereiding op Pasen. Het is een bekeringstijd. Ommekeer, verandering, en wat mij betreft ook een periode van omdenken