Als ik zo mijn oor te luister leg verkeren kerken de laatste tijd in crisis. Deze crisis heeft – denk ik – verschillende oorzaken, bijvoorbeeld:
de jarenlange secularisatie die geloofsgemeenschappen
de komende tijd zullen decimeren
en de coronacrisis die kerken op z’n minst uitdaagt
naar de eigen rol te kijken.
Volgens sommigen moeten men zich dan ‘herkerken’
of wordt er stoer gezegd dat we zelfs af moeten
van het idee van een levenslang predikantschap. (sic)
Als ik hier verder nadenk popt bij mij de figuur van Paulus op:
een apostel en verkondiger van het evangelie
maar daarnaast een tentenmaker.
Ergens klinkt bij deze gedachte door
bij het aankijken tegen het ambt van predikant:
of het is een vrijgestelde persoon die zich kan wijden
aan de zorg voor de gemeente in de breedste zin van het woord;
of een persoon die naast een betaalde baan
de zorg in de gemeente ‘erbij’ doet.
Hoewel ik een warm voorstander ben van de eerste opvatting,
zie ik om me heen dat de tweede opvatting steeds meer opkomt.
Moet je dan koste wat het kost vasthouden
aan de eerste opvatting – hoe legitiem die ook is –
of oog hebben voor maatschappelijk veranderende ideeën rondom dit vak?

Laatst kwam ik het idee van social enterprise tegen.
Misschien draagt dit idee bij aan het denken rondom
het zo geplaagde ambt van de predikant.
Social enterprises verdienen geld aan producten en diensten,
maar herinvesteren een groot deel van hun winst
in hun organisatie en in de gemeenschap
om zo hun maatschappelijke missie te verwezenlijken.
De maatschappelijke impact van social enterprises
wordt gerealiseerd door het aanbod van (verantwoorde)
producten en diensten, of door het personeel dat ze in dienst heeft.
Een social enterprise:

1. Heeft primair een maatschappelijk doel: impact first.
2. Realiseert dat doel als private onderneming,
met of zonder winstoogmerk, die een dienst of product levert.
3. Is financieel zelfvoorzienend gebaseerd op handel
of andere vormen van waarde uitruil:
is dus beperkt of niet afhankelijk van giften of subsidies
4. Is sociaal in de wijze waarop de onderneming wordt gevoerd:
de bestuursfilosofie is gebaseerd op medezeggenschap van alle betrokkenen, is fair naar medewerkers en leveranciers,
en bewust van haar ecologische voetafdruk.

Een social enterprise onderscheidt zich van een
traditioneel commercieel bedrijf
omdat dat zij haar maatschappelijke missie
boven financiële doelen heeft gesteld.
Commerciële bedrijven, zijn daarom zelden een social enterprise
ook al willen zij vaak in hun processen zo min mogelijk schade doen
en streven zij er naar om een bijdrage leveren aan een betere wereld. Primair streven zij altijd een financiële doel na.
Want willen social enterprises hun missie kunnen realiseren,
dan moeten zij ook financieel gezond zijn.
Het financiële doel is voor de social enterprise daarentegen
slechts een middel om haar eigenlijke, sociale missie te verwezenlijken.
Een social enterprise onderscheidt zich van traditionele goede doelen
in dat zij financieel zelfvoorzienend is.
Financieel zelfvoorzienend wil zeggen dat de social enterprise
een verdienmodel heeft gebaseerd op omzet uit diensten of producten. Omdat social enterprises door hun commerciële activiteiten
in staat zijn eigen inkomen te genereren, buiten subsidiestromen om, behouden zij een relatief grote mate van onafhankelijkheid.

ik weet het, het klinkt allemaal erg zakelijk
en dit stuk ontbeert ook iets van de ‘heiligheid’ van het ambt
– iets waar ik dus echt over na wil denken,
misschien van roeping naar beroep –
maar als we echt het ambt en de kerk willen doordenken
dan moeten we het lef willen tonen door ook aan te gaan. 
Misschien ziet het er vreemd uit om de kerk als ‘onderneming’ te zien, maar uit ervaring weet ik dat veel bestuurders van de kerk
dit al jarenlang doen, inclusief de ‘werknemers’,
dus laten we het dan nu maar ook op deze manier concretiseren.
Veel zaken zullen zeker nog beter doordacht moeten worden
zoals de predikant te zien als social entrepeneur
en de kerk als social enterprise,
maar om alleen maar zo’n concept te doordenken
kan op zich al verruimend en verfrissend zijn.

Toen in maart de coronamaatregelen van kracht werden
betekende dat ook voor kerken
dat de ‘traditionele’ diensten werden opgeschort.
Hard werd er gewerkt aan een mogelijkheid
om elkaar online te ontmoeten.
En dat heeft geresulteerd in een veelheid van online diensten
die vrijwel zondag aan zondag het wereldwijde web opgeslingerd worden en die – zo laat ik mee vertellen –
door veel mensen worden beluisterd en bekeken.
Toch hoorde je dat veel mensen de diensten en het samenkomen misten.
Maar nu voorzichtig aan er, met inachtneming van de coronamaatregelen, weer diensten worden gehouden in kerkgebouwen
blijkt het dat veel kerken de maximaal toegestane aantallen
niet worden gehaald.

De groep mensen die nu wegblijft,
heeft vaak de meest uiteenlopende redenen om niet te komen.
Ik noem er een paar:
ik ga niet naar de kerk, want we kunnen nog niet zingen;
ik ga niet naar de kerk, want het is zo’n gedoe met inschrijven;
ik ga niet naar de kerk, want het is zo kil als je zover uit elkaar zit;
ik ga niet naar de kerk…het is nog zo anders dan ik gewend ben;
ik ga wel weer een keer als alles weer normaal is.
Ook zijn er ouderen die het vanwege het coronavirus niet durven.
Andere mensen vinden het juist fijn om een dienst online
vanuit de luie stoel te volgen.
Er zijn zelfs stemmen die zeggen dat
de terugloop van het aantal kerkgangers
door de coronacrisis nog sneller zal gaan.

Ooit schreef Van Ruler, een theoloog van midden twintigste eeuw
een boek ‘Waarom zou ik naar de kerk gaan?’
met een aantal argumenten om juist wel naar de kerk te gaan.
Ik noem er een aantal: om een kans op bekering te lopen (tot in je binnenste geraakt worden door Gods Woord);
om een gewoonte vast te houden (stijl, roeping);
om een traditie voort te zetten (als schakel in een lange keten, vanuit het voorgeslacht);
om de wereld voor te dragen ( voorbede, alle dingen met God bespreken); om rust te vinden (even terugtrekken uit de hectiek van alledag);
om weer op toonhoogte te komen ( godsdienst-oefening, Gods bedoeling met ons leven);
om in het openbaar mijn geloof te belijden (ik belijd mijn geloof. De kerkgang zelf is belijdenis).

Zijn deze argumenten nog valide
of moeten we in onze tijd toch anders gaan denken?
Ja, hoe moet dit nu verder?
Hebben wij de fysieke kerk te belangrijk geacht
voor de geloofsgemeenschap?
Zijn wij niet op allerlei andere manieren ‘kerk’?
Moeten we de ‘diensten’ heel anders gaan opzetten? Echt omdenken?
Het lijkt me een hele uitdaging om daar de komende tijd
verder over na te denken
en ik zal daar ik komende blogs zeker op terug komen.
Mochten mijn lezers mee willen denken dan verneem ik dat graag!

In deze coronatijd is de kerk naarstig op zoek naar hoe zij in en na deze tijd kerk kunnen zijn. Misschien scherper gesteld: Hoe kunnen de kerken zich ontworstelen aan het dilemma tussen verstarring en beleving? Moet zij zich onveranderlijk vasthouden aan haar oude dogmatische wortels, of geeft zij zich over aan grenzeloze vrijzinnigheid. In beide gevallen mist ze aansluiting bij de behoeften van de (post)moderne mens. In beide stromingen blijft de liturgie strak en conservatief terwijl de kern van het geloof en de essentie van het Evangelie worden verdrongen door respectievelijk krampachtig kerk-zijn of juist niet langer op een kerk willen lijken. Een kerk die zich openlijk afvraagt of God wel bestaat en de Bijbel tot een interessant literair verschijnsel maakt, reduceert God tot een menselijk bedenksel dat op den duur het opstaan op de vroege zondagmorgen niet meer waard is. Zij verliest haar angel, het mysterie van de opgestane Christus, de ongemakkelijke wrijving die het geloof in een God die niet te doorgronden valt, met zich meebrengt. Ondertussen dendert de wereld door en bereikt de kerk in haar verschijningsvorm in snel tempo haar uiterste houdbaarheidsdatum.
Als er nu niets verandert, is het christendom in Nederland binnen enkele decennia op sterven na dood en verliest onze samenleving voor altijd haar diepste

We zijn zulke individualisten geworden, dat het eerste woord dat vier- of vijfjarige kinderen leren schrijven ik is: ik, een losstaand, eigen individu. Maar wie ben ik dan? Wat betekent die ik? Wie geeft er invulling aan de identiteit van onze jonge kinderen? Als onze ouders in niets geloven en niet weten waarvoor ze staan, hoe zouden onze kinderen dat dan moeten weten?
Mensen gaan op zoek en nemen beslissingen die hen dichter brengt bij hun levensdoel – of niet. Dit is het twijfelachtige wonder van de vrije wil.

In die zoektocht kan een levende en betrokken kerk voeding geven aan de zoekende ziel en haar volgelingen helpen hun levensbestemming te vinden.
Onze maatschappij is verweesd en schreeuwt om leiders met een verhaal. Het geloof biedt die noodzakelijke richting en houvast. De kerk kan het broodnodige sociale vangnet vormen in onze wankelende welvaartstaat, maar uitgerekend deze christelijke stem is verstomd. De christelijke stilte ten aanzien van de grote vragen van vandaag zoals milieuproblematiek, armoede en sociale ongelijkheid is een fluisterstem geworden. Gebrek aan een uitgesproken en principieel getuigenis heeft de rol van religie in de moderne maatschappij tot bijna nul gereduceerd.

In de jaren zestig van de vorige eeuw kwam een ontkerkelijking op gang die tot op de dag van vandaag doorgaat. Maar al eerder is de kerk ontzield geraakt. Sprankelend geloof werd door papier en inkt verstoten. Levende ervaring door ratio verdreven. Niet God, maar religie is een heilige zaak geworden. Wat we vergeten is dat God ons niet nodig heeft om te bestaan. God is. 

Willen we mensen weer terug de kerk in krijgen en voorkomen dat nog meer gemeenteleden vroeg of laat de kerk verlaten, dan moet zij geen geloof van angstig “gij zult niet” maar van opgewekt “u mag wel!” prediken. Hierin ligt vooral een uitdaging voor de kerken.

Van gebrokenheid naar heelheid, van scheiding naar eenheid, dat is de grote uitdaging voor de postmoderne christen anno nu. Dit nieuwe christen-zijn vereist een grote ommezwaai in ons denken. Het zal geen eenvoudige weg zijn, de kerk zal verkeerde afslagen blijven nemen (zoals christenen door de eeuwen heen zo vaak hebben gedaan) maar stil zijn is geen optie meer. En dus moeten we op zoek naar een nieuwe manier van christen zijn – het christen 2.0 zoals ik dat noem. Levend en overtuigend, maar ook transparant en eerlijk.

De eerste stap op weg naar dit nieuwe christendom is een terugkeer naar de kern van het Evangelie. Het goede nieuws van de dood en opstanding van Jezus Christus is radicaal en zal altijd op weerstand stuiten. Zij is echter ook een boodschap van oneindige inclusieve liefde en genade.
De grenzeloze liefde van God en Zijn genade voor ons feilbare mensen is wat het christelijk geloof van andere religies onderscheidt, en wat ons in staat stelt bruggen te slaan. Wat voor mij onvervreemdbaar is dat ik Jezus Christus belijd  als mijn Opgestane Heer. Over de invulling van kerkelijke dogma’s en theologische zienswijzen valt te discussiëren, over de essentie van het Evangelie niet.

De tweede stap is het erkennen van de diepe pijn die de kerk haar volgelingen door de eeuwen heen heeft berokkend – en blijft toebrengen.
Het wordt tijd dat de kerk op de knieën gaan en haar zonden belijden: het onrecht dat zwarten is aangedaan, kleurlingen, vrouwen en kinderen, andersdenkenden en andersgelovigen.

De derde stap is niet langer kijken naar dat wat verdeelt, maar wat samenbindt – als kerken onderling, maar ook als kerk en alles wat daarbuiten ligt. We zijn allen schepselen van God die mogen rekenen op Zijn onvoorwaardelijke liefde.

Het wordt tijd dat de kerk leiderschap toont. Dat wij leiderschap gaan tonen. Iedereen die zich christen noemt is gewild of ongewild de kerk. Ik als gelovige ben deel van de gemeente van God en zal dus als gelovige mijn verantwoordelijkheid moeten nemen en leiderschap moeten tonen op de plaats en plek die God mij heeft toebedeeld.
Het is zoals de vrouwelijke pastor Bridget Willard schreef: “Kerk is niet waar je samenkomt, kerk is geen gebouw, kerk is wat je bent. Laten we niet naar de kerk gaan, laten we de kerk zijn.”

Het is onmiskenbaar dat de kerk in ‘het Westen’ steeds minder mensen aan zich weet te binden en weet te trekken. Van verschillende kanten worden er dan ook initiatieven ontplooit om de kerk te vernieuwen en daardoor weer aantrekkelijker te maken voor de mensen in het huidig tijdgewricht. Al in de zestiende eeuw stond de kerk voor deze opdracht. Men vatte het toen samen in een mooie Latijnse spreuk: Ecclesia reformata semper reformanda secundum verbum Dei. In goed Nederlands betekent dat zoveel als ‘de kerk wordt vernieuwd en moet zich blijven vernieuwen volgens het woord van God’. sola

Vandaag de dag wordt er met nieuwe vormen geëxperimenteerd: in de Protestantse Kerk bijvoorbeeld ontstaan pioniersplekken om op een nieuwe manier aanwezig te zijn in de levens van mensen. Op zich allerlei goede probeersels. Ikzelf maak daar met mijn blog, mijn aanwezigheid op Facebook en Twitter ook onderdeel van uit. Je moet als kerk, als christenen altijd blijven openstaan voor de beweging  van de Geest en die niet uitdoven.

Echter…

Een grote valkuil is dat de kerk zich zo wil aanpassen aan de huidige tijd dat zij zoete broodjes gaat bakken: mensen alleen laten horen wat zij graag willen horen. Hoe makkelijk wordt het ‘secundum verbum Dei’ niet vergeten. Het woord van God blijft  ook altijd een element bevatten dat mensen mensen niet graag willen horen! Ik moest hierbij denken aan een  aantal verzen uit 2 Timoteüs  ‘De tijd komt dat mensen zich zullen verzetten tegen de juiste uitleg van het geloof. Ze zullen leraren zoeken die passen bij hun eigen ideeën, en die zeggen wat ze graag horen. De mensen zullen niet meer naar de waarheid luisteren, maar naar verzonnen verhalen.’  Waar de kerk voor moet oppassen is dat zij niet gaat denken zij zelf degene is die zich moet blijven vernieuwen om zo de aansluiting met de huidige tijd niet te verliezen. Dat staat haaks op de Latijnse spreuk waarmee ik mijn column begon. Het is immers God alleen die Zijn kerk blijft vernieuwen en haar blijft ontdoen van door mensen verzonnen ideeën. En dan is de kerk bakker, of beter gezegd verstrekker van het genadebrood dat God ons geeft. Brood waar je soms je tanden op stuk bijt omdat het soms zo tegen alle menselijke ideeën ingaat. Dat de kerk zich blijft vernieuwen, niet volgens onze wil en ons woord, maar in overeenstemming met Gods Woord en Zijn wil.

Daarom: Ecclesia reformata semper reformanda secundum verbum Dei

Toen ik vanochtend mijn krant opensloeg, maakte mijn hart een vreugdesprong. Ik las: ‘herdersopleiding zit al vol’. Voor mijn geestesoog zag ik beelden van volle collegezalen gevuld met studenten die het ambt van predikant ambiëren. In plaats het krimpen van de opleiding tot predikant zouden – wat de Protestantse Theologische Universiteit betreft –  de oude opleidingsplaatsen van Utrecht, Leiden en vooral 😉 Kampen de deuren weer openen om de toestroom op te kunnen vangen. Helaas werd mij, toen ik verder las,  gewaar dat het niet ging om de opleiding tot predikant maar om een opleiding tot schaapherder in Velp. Als je het aantal inschrijvingen bekijkt zal er dus van die ‘grote, stille heide’ waar het kinderliedje over zingt binnenkort niet veel meer over zijn.  Althans voor deze leerlingen dan… schaapskuddeMijn collega’s en ik dwalen wel verder onverdroten en enthousiast voort op een steeds stiller wordende heide, zo lijkt het vaak. Helemaal aan het eind van het artikeltje stond nog de toevoeging dat schaapherders ‘ook aan de slag kunnen als terreinbeheerder’. Hmm, dat is misschien juist ook waar mijn collega’s en ik onze taak moeten zoeken: als terreinbeheerder. Immers, in de stad, de wijk of het dorp waar we predikant zijn is er buiten de eigen plaatselijke kerkelijke gemeente nog heel wat terrein te beheren, terug te winnen, te ontginnen… Op zoek naar verdwaalde, verweesde schaapjes. Het liedje op de grote, stille heide gaat verder: ‘Op de grote stille heide, rust het al bij maneschijn. Als de schaapjes en de bloemen vredig ingesluimerd zijn’. Misschien moeten we ook die vredig ingesluimerde schaapjes wekken zodat de heide er minder eenzaam en stil uit komt te zien.

Deze week is het de Week van Gebed. In deze week wordt door middel van het gezamenlijk beleggen van dagelijkse gebedsdiensten in de verschillende naburige kerken gestreefd naar een groeiende eenheid tussen christenen en kerken, ook op lokaal niveau. Ook in mijn kerkelijke gemeente wordt er aandacht aan besteedt.week van gebed 2015 En dat vind ik goed. Immers, in een wereld die bol staat van allerlei tegenstellingen en religieuze controverses, is het goed om te laten zien dat christenen ook op lokaal vlak elkaar juist kunnen vinden in wat hun bindt, niet in wat hen scheidt. Daarmee  kloppen we als het ware op de deur van de de mensen om ons heen om zo het goede nieuws te verspreiden van een God die liefde is en verdeeldheid onder zijn kinderen verafschuwt.

Vanwege de aanslagen in Parijs is het de meeste mensen waarschijnlijk ontgaan: de protestantse kerk in het Zeeuwse Hoek is in vlammen opgegaan. Toegegeven, geen ramp van mondiale proporties, maar toch een enorm verlies voor de plaatselijke protestantse gemeente. de kerk van Hoek in de hensHet grootste deel van de kerk inclusief interieur moet helaas als definitief verloren worden beschouwd. Gelukkig zit de predikant – ondanks zijn emoties – niet neer bij de pakken, maar hij zit in nieuwe kerkbouw ook een missionaire kans. ‘We willen ook een huis worden voor het dorp’ zegt hij.

Ondanks het feit dat het verlies van een kerkgebouw hem het inzicht moest opleveren dat een kerk ‘een huis voor het dorp’ moet worden, is dit wel het wel herkenbaar dat het veel moeite kost om echt naar buiten te treden, missionair te zijn. Vaak zitten kerkleden, ondanks alle goede bedoelingen om missionair te zijn, vastgeklonken aan hun kerkgebouw waar een geschiedenis aan kleeft en – starre – denkpatronen. En niet alleen de kerkleden, ook voor eventuele buitenstaanders is de drempel van een traditioneel kerkgebouw door allerlei omstandigheden vaak heel erg hoog.

Dus, ja weg met dat (vaak veel te dure) kerkgebouw en laat gemeentes weer samenkomen in kantines, scholen, dorpshuizen of kroegen. In de hens ermee, en dat uit haar as een mooie, nieuwe vrije vogel mag opstijgen! Slecht die drempel tussen binnen en buiten! En voor de cynici onder mijn lezers die het woord ‘missionair’ wel een heel erg modewoord vinden: het is misschien wel het oudste beweging van de de christelijke gemeente: de straat op, onder de mensen.

Het is een feit dat de kerk in de westerse wereld krimpt. En toch zit er nog steeds een behoorlijk aantal mensen regelmatig op zondag in een kerkgebouw en neemt deel aan een dienst. Wat zou het mooi zijn als dat groepje enthousiastelingen iemand uit hun omgeving meeneemt naar zo’n kerkdienst waar hij of zij zoveel geestelijke voeding, troost en kracht uit put.

Toch…?natuurlijk bestaat God

ja, maar…

– ‘de preek is niet zo sterk’ (waarom ga je zelf dan?)

– ‘ik denk er gewoon niet over na’ (huh, zo’n geschenk helemaal gratis; dat wil je toch delen?)

– ‘het is zo saai in de kerk’ (nogmaals, waarom ga je zelf dan?)

– ‘de muziek is niet zo goed'(waar geniet jíj dan van?)

– ‘de Heilige Geest moet mensen trekken’ (ja, en door wie ook al weer?)

 

Wat zijn jouw redenen om niemand voor zondag in een dienst uit te nodigen?

Kortgeleden heb ik het boek van dr. Maarten Wisse Zo zou je kunnen geloven. Hij geeft daarin  onder andere een interessante analyse in wat hij noemt de verschillende vormen van verwoording van het christendom. Hij heeft het dan over ‘traditioneel-‘, ‘modern-‘,’evangelicaal-‘ en ‘buitenkerkelijk-‘christendom. Hij geeft van elk van de vormen een sterkte en een zwakteanalyse. In deze column wil ik me graag beperken tot de vierde vorm die Wisse beschrijft: het buitenkerkelijk christendom. Als je in de boekhandel kijkt dan vinden liefhebbers van die hun  boeken meestal op de boekenplank ‘spiritualiteit’. ‘De meeste ‘gelovigen’, zo zegt Wisse, bevinden zich momenteel buiten de kerk. Meer dan de helft van de Nederlanders noemt zichzelf ‘religieus’ of ‘spiritueel’, maar een klein deel van die mensen bezoekt regelmatig een kerk; of zoals Ernst Daniël Smid het eens zei: ‘Mijn familie en vrienden zijn niet opgehouden te geloven; ze zijn gestopt met naar de kerk gaan.’ In de hedendaagse vormen van het buitenkerkelijk christendom, zo stelt Wisse, is er een herleving van het geloof in de voorzienigheid, een principe ‘Al’ of het ‘lot’ dat alles bestuurt zonder te achterhalen zin. En juist dat is voor heel veel mensen in de moderne maatschappij een troost. In tegenstelling tot het eindeloos moeten maken van zoveel keuzes, kun je je tegenwoordig rustig overgeven aan de wetenschap dat alles al van te voren is bepaald. Waarschijnlijk verklaart dat de populariteit van een boek als Wij zijn ons brein van Swaab dat stelt dat de mens helemaal geen vrije wil heeft. Maar aanhangers van dit type ‘christendom’ vind je nog nauwelijks terug in de kerkbanken. Immers, de kerk staat voor al die ge- en verboden, dat keurslijf, waar mensen keurig netjes lijken zijn (maar ondertussen…), de dominee volledig tegen elke trend in een monoloog houdt van een lengte meer dan een mens kan verdragen etc. etc. etc. Het karakter van dit type ‘christendom’ zit er juist in dat je alles mag aanvaarden wat jij maar wilt, maar het hoeft niet. Jij bent de instantie voor wat waar, prettig of goed voelt.

Waarom ik hier zoveel woorden aan wijd? kwetsbare aardeOmdat Wubbo Ockels onlangs op 18 mei overleed. ‘Nee, Wubbo geloofde niet’ zei zijn dochter nog desgevraagd. Maar feit is dat Ockels nadat hij vanuit de ruimte de kwetsbaarheid van onze planeet had vastgesteld, met een waar zelotisme zich inzette voor de bewustwording van de mens voor deze kwetsbaarheid en de overtuiging dat wij mensen moeten ophouden deze kwetsbaarheid door ons handelen te verhogen. ‘Laat elk van ons helpen om onze religie vorm te geven. Laat elk van ons zijn geloof uitspreken in een duurzame mensheid’ schreef hij laatst nog in zijn ‘Happy Energie Religion’. Eerlijk gezegd hierin vind ik ook een nieuw soort ‘buitenkerkelijk christendom’ in ontstaan. Zoals ook in die buitensporige omgang met dieren waarin bijvoorbeeld een Partij voor de Dieren (alleen de naam al) zich in verliest, en het fanatisme waarin allerlei religieuze of spirituele elementen uit verschillende bestaande godsdiensten worden gekaapt om zo de leegte te vullen van de eigen spiritualiteit met zaken die ik zelf goed vind voelen, die mij iets opleveren.

Ik geloof het wel.  Nee, niet meer in de kerk met het verkalkte structuren in mensen die geen haar beter zijn dan de anderen; ik stel mijn eigen menu wel samen, en soms luister ik, als het me uitkomt en mij zelf niet al te veel kost, ook naar een man die op zijn sterfbed een boodschap achterliet voor de  mensheid waarin God vervangen is door ‘het milieu’ en ‘de zonde’ bestaan uit ‘de moderne geneugten van het leven’.  Mijn  eigen menu samenstellen, de vaagheid en vrijblijvend is, denk ik, terecht, een goed analyse van Wisse die deze beide zaken noemt als zwakte van het buitenkerkelijk christendom. Ik geloof het wel, zolang mij het zint. Geloof als individueel project dat naar believen kan worden verbouwd, met een gemeenschapsaspect dat werkelijk flinterdun is en misschien net zo kwetsbaar als het beschermend laagje dat de astronaut zag vanuit de ruimte.

Je ziet ze de laatste jaren steeds vaker. Kerken die fair-tradeproducten gebruiken. Een stuk bewustwording van hoe je omgaat met de aarde die je gegeven is en en zo goed mogelijk mag doorgeven. Sommige kerken krijgen zelfs het predicaat ‘eerlijke kerk’, ze mogen het fairtrade keurmerk voeren.

Dan vind ik nou opmerkelijk: filialen van de christelijke kerk die eindelijk voor het eerst in haar meer dan 2000 jaar bestaan dit keurmerk opgespeld krijgen. Volgens mij waren wij, was de kerk, al eeuwenlang verkondiger van een eerlijke ‘weg’ (zoals je het Engelse trade ook kunt vertalen) en krijgen we nu pas die erkenning ;o) . Als ‘makelaar in ongeziene waren’ zoals Constantijn Huygensz.  een dominee omschrijft, ben ik mij  al tijden degelijk bewust van dit keurmerk, deze opdracht. Ik probeer vele ‘ongeziene’ eerlijke ‘producten’ te promoten en te gebruiken. fair trade

Maar goed, fijn dat het rentmeesterschap van de kerk in deze vorm erkenning krijgt en ik hoop dat vele gemeentes zullen volgen. En wat mij persoonlijk betreft: ik hoop nog jarenlang deze eerlijke en ware ‘weg’ te promoten.