naar aanleiding van psalm 27

David heeft deze psalm vermoedelijk geschreven in een heel onrustige periode in zijn leven.
Aan de ene kant wordt hij gezien als een man op wie de zegen van God rust. Iedereen draagt David op handen. Aan de andere kant wil Saul hem uit de weg wil ruimen. David wordt een politiek vluchteling. Hij trekt van onderduikadres naar onderduikadres. Hij is nergens, er is geen plek waar hij rust vindt. Hij is een stuk opgejaagd wild. Onrustig, ontheemd. En in deze periode vol stress en onveiligheid schrijft hij deze psalm.
Het kloppend hart van dit lied zijn de verzen 4 en 5, die beginnen met de krachtige woorden: één ding heb ik van de Heer verlangd, dát zal ik zoeken: dat ik wonen mag in het huis van de Heer, al de dagen van mijn leven. En dat valt wel te begrijpen, dat David juist daar wil zijn. Want de tempel in Jeruzalem heeft in die tijd een soort van asielfunctie. Zoals ambassades dat in onze tijd hebben. Als je op zo’n plek aanklopt en asiel vraagt. En als men je dan opneemt, dan kunnen je achtervolgers je niets meer doen. Logisch dat David er sterk naar verlangt om in het huis van de Heer te zijn, te wonen. Om daar veilig te schuilen in zijn hut in het verborgene van zijn tent, hoog op een rots.
Maar daarmee is niet alles gezegd. David diepste verlangen is niet rust, geborgenheid, veiligheid. Hij schrijft: één ding heb ik van de Heer verlangd, dát zal ik zoeken: dat ik wonen mag in het huis van de Heer, al de dagen van mijn leven, om de lieflijkheid van de Heer te aanschouwen en te onderzoeken in zijn tempel. David is geen rustzoeker. Hij is vooral een Godszoeker. Zijn hart verlangt en gaat uit naar God zélf.

Spiegel jezelf eens aan deze woorden. Doe je aan godsdienst, of gaat je hart uit naar God? Ken je je dorst, voel je de stille schreeuw? Vaak proberen we het te sussen en te stillen. Het te vullen met van alles en nog wat. Hard werken, leuke dingen doen, het fijn hebben. Maar gezegend ben als het je niet meer lukt.. Als je verbonden bent met je diepste verlangen.

Dat verlangen naar God, die schreeuw, die heimwee in je hart dat is geen verdienste. Dat is de echo van een Ander en nog veel dieper, sterker verlangen buiten ons zelf. We hebben Hem lief omdat Hij ons eerst heeft liefgehad. Dat andere sterkere verlangen dat aan ons verlangen voorafgaat dat is een enorm sterk verlangen dat leeft in het hart van God. Al op de eerste bladzijden horen we dat verlangen doorklinken als God op zoek is naar de mens: Adam, waar ben je? En sindsdien is God altijd en overal op zoek gebleven. En gaat zijn hart uit naar de mensen. Wil hij niets liever dan vriendschap, vertrouwelijke omgang

En voor God is het geen goedkope vriendschap. Hij heeft er werkelijk alles voor over geen prijs is hem te hoog om die vriendschap te bewerkstelligen. Hij zond zijn Zoon om een van ons te worden en ons in Hem van zijn liefde te verzekeren. Hij geeft zijn Geest die in ons wil komen wonen en diep in ons bestaan die vriendschapsband wil laten groeien. Hij geeft ons zijn Woord die deze band kunnen verdiepen. Hij geeft ons het teken van de doop als een teken van zijn vriendschap zodat er al helemaal aan het begin van ons leven een vriendschapsverzoek aan ons hart wordt gelegd. En als teken van zijn eeuwigdurende vriendschap en verlangen stelt hij een maaltijd in, dé uiting van vertrouwelijke omgang. Als Jezus voor de laatste keer met zijn vrienden een maaltijd heeft dan zegt hij: Ik heb er hevig naar verlangd deze maaltijd met jullie te houden. Er is iets in het hart van God dat zo sterk uitgaat naar ons. Hij wil met ons omgaan als met een vriend. Vertrouwelijk, intiem. Met ons eten en drinken.

En dat verlangen zoekt een antwoord in ons hart.
Eén ding heb ik van de Heer verlangd, dát zal ik zoeken: dat ik wonen mag in het huis van de Heer, al de dagen van mijn leven. Misschien klinkt het je net iets te benauwend. Eén ding, al de dagen van mijn leven…. Moet alles dan echt draaien om godsdienst, de kerk en zo? Nou, om te wonen in het huis van de Heer. Hoef je niet letterlijk in een kerk of een tempel te zijn. Die tempel mogen we ook zelf zijn. Een tempel zijn van de Geest. En die Geest schept in ons eigen hart een heiligdom, een stille en lege plek waar God kan wonen. Ik Hem elke dag mag ontmoeten.

En als je vanuit die grondhouding leeft. Dan ontwikkel je iets van een gevoeligheid om iets van Gods liefelijkheid en goedheid te zien oplichten hier en nu om je heen in het gewone leven van iedere dag. Dan mag je iedere dag die God je geeft ingaan met een open, verwachtingsvolle en hoopvolle blik. Dat is wat doorklinkt in dat mooie slotvers van deze psalm:

Mag ik niet verwachten de goedheid van de Heer te zien in het land van de levenden? Wacht op de Heer, wees dapper en vastberaden. Ja, wacht op de Heer.

naar aanleiding van Kolossenzen 4:2-6

Paulus roept de gemeente te Kolosse op om volharden in het gebed.
Hij vraagt ook voorbede voor zichzelf,
of dat God deuren wil openen voor het Woord.
Blijf volhouden met bidden is belangrijk;
al te snel schiet het gebed erbij in.
Leven met de Heer kan echter niet zonder gebed.
En in dat gebed moet er ook ruimte zijn voor dankzegging,
schrijft Paulus,
anders lopen we het gevaar met verlanglijstjes bezig te zijn.
Ook worden we geroepen wijs om te gaan met de mensen om ons heen,
voorzichtig en op het juiste moment met de goede woorden.

Gebed en dankzegging.
Als de dank ontbreekt, mist er iets wezenlijks.
Dank richt zich op God. Op wat Hij schenkt.
Zijn grootste geschenk: Jezus Christus.

Die mensen in Kolosse waren niet zo lang christen.
Net de Alpha cursus afgerond en net gedoopt.
Paulus schrijft een brief. Hij is de gevorderde christen.
Dé apostel.
En toch deze grote Paulus vraagt hulp. We zijn hulpeloze mensen.
Aangewezen op God en op medegelovigen. We zijn aan elkaar gegeven.
Dat vind ik bijzonder aan de christelijke gemeente.
Er is geen hoger of lager.
Als we wel zo naar elkaar kijken, is het helemaal scheef.
Misschien beweeg je je op de voorgrond,
of je schuift achteraan aan. Maar principieel zijn we één.
Eén in de Heer. Allemaal aangewezen op Hem.
Welke plek je in het leven je hebt:
hoe veel geld je ook verdiend, hoe vitaal ook.
Allemaal aangewezen op Christus.

Paulus had dat geleerd.
Ik ben niet meer dan de christenen in Kolosse.
In hoofdstuk 1 dankt hij voor hen. Nu vraagt hij gebed.
Waarvoor? In vers 3 staat: dat God de deur van het Woord opent.
Je kunt ook vertalen:
dat God voor ons de deur voor het Woord opent.
Paulus opent de deur,
maar de deur van hun leven moet ook open gaan.
Dat gebeurt niet automatisch. Dat wist Paulus als geen ander.
Hij vraagt gebed.
Als ik de woorden breng, luisteren ze niet vanzelf.
Ze geven zich niet vanzelf over.
Ik denk dat wij dat dit herkenbaar is.
Als de woorden van God klinken,
als je ze leest, komen die woorden niet automatisch in je hart?                 

Zelfs als je je best doet, kan er van alles mis gaan.
Misschien realiseer je dat je 5 minuten
aan iets anders hebt zitten denken.
Afgeleid worden, weerstand, luisterhouding?
Je kunt naar de kerk gaan en met andere dingen bezig zijn.
Daarom is er gebed nodig, zegt Paulus.
Ook zegt hij nog iets over hoe je kan omgaan
met die mensen die je tegenkomt,
mensen buiten de gemeente.
Vers 5 en 6. Misschien niet zo spectaculair.
Daar staat dat je in wijsheid met elkaar moet omgaan.
Goede moment kiezen.
Woorden spreken die verbinden.
Niet heel spannend, maar daarom niet minder waar!
Buit de geschikte tijd uit.
Paulus gebruikt het beeld van een marktkoopman.
Die weet het moment om naar voren te treden.
Inspelen op de behoeften van de klant.
Het gaat om het goede moment. Soms in wijsheid je mond houden.

Want woorden doen ertoe!
Ze kunnen gemeenschap maar ook verwijdering geven.
Hoe je benaderd wordt, maakt heel veel uit.
Het doet er toe hoe je mailt, appt, praat.
Luisteren, je verdiepen in de ander, nadenken.
Zorgvuldig met onze woorden zijn.
En nee, Paulus leert geen maniertje. Geen stappenplan voor succes.
In Kolossenzen wordt hoog opgegeven van Jezus Christus.
Zijn macht en wijsheid.
Het gaat om het geheim van Christus.
Wij kunnen alleen van betekenis zijn
als we dicht bij Christus leven.
‘Blijf in Mij!’ zegt Hij ‘Zonder Mij kan je niets doen.’

naar aanleiding van psalm 34

Schuilen, dat doen we allemaal wel eens: tegen de regen, of het onweer.
Als het echt gevaarlijk wordt, ga je rennen: naar waar je veilig denkt te zijn.
Zoveel mensen, met uiteenlopende ellende of angst of andere omstandigheden hebben behoefte aan plekken en aan mensen bij wie ze kunnen schuilen; het was de aanleiding voor het populair geworden en vaak gezongen liedje ‘Mag ik dan bij jou’, het werd ook gezongen tijdens The Passion 2015 in Enschede.
Nee, het ging niet over God, maar misschien juist meer dan op wat ook past
bij geloof en vertrouwen op God (ik maak van ‘jij’ en ‘jou’ U):
Mag ik bij U schuilen, als het nergens anders kan?
en als ik moet huilen, droogt U m’n tranen dan?

Het zijn moderne woorden voor waar de Bijbel en vooral de psalmen vol van zijn.
Zeker uit de mond van David horen we in allerlei toonaarden en vanuit allerlei situaties de roep om hulp: Heer, mag ik bij U schuilen, verberg me in uw tent, onder uw vleugels, of hoog op een rots, waar mijn vijanden niet bij mij kunnen.
Het was precies waar David op had gehoopt en op uit was: wegwezen hier, snel!
Om terug in eigen land zich te verstoppen in de grotten bij Adullam.

Naast het feit dat de vlucht natuurlijk een afgang en reputatieschade was voor David
was het tegelijkertijd een gevoelige les die David hier kreeg van God zelf:
dat hij geen hulp moest zoeken buiten God om, bij de tegenstanders van zijn volk.
Het is ook de les van een andere psalm, psalm 118:
‘Beter te schuilen bij de Heere dan te vertrouwen op mensen.
Beter te schuilen bij de Heere dan te vertrouwen op mannen met macht’
Ooit is uitgerekend dat dit het middelste vers van heel de Bijbel zou zijn.
In elk geval is het een kerntekst voor wat geloven is: schuilen bij de Heere.
Deze psalm getuigt er ook van dat David zijn redding niet toeschrijft aan eigen slimheid,
want wat was hij bang en in paniek, maar aan de macht en de genade van de Heer:
‘ik zocht de Heer en Hij gaf antwoord, Hij heeft mij van alle angst bevrijd…
in mijn verdrukking riep ik tot de Heer, Hij heeft geluisterd en mij uit de nood gered.’
Ja, en dat is precies zoals David de Heere had leren kennen
en wat hem steeds toch weer moed en vertrouwen gaf:
‘de Engel van de Heere waakt over wie Hem vrezen, en bevrijdt hen’
En daarom: ‘gelukkig de mens die bij Hem schuilt’.

Kijk, en dan komt het ineens veel dichter naar ons toe, ons leven binnen.
God komt zo ook zelf veel dichter naar ons toe, letterlijk ons eigen leven binnen.
In het Oude Testament wordt de naam ‘Engel’ vaak gebruikt en meestal in één adem met ‘van de Heer’, dus meer dan zomaar een engel.
Dat wijst op God die naar mensen toe komt, reddend, helpend, waakzaam, zoals hier: ‘De Engel van de Heer waakt over wie Hem vrezen, en bevrijdt hen’.
Vanuit het Nieuwe Testament kennen we de Heer ook in de persoon van Jezus Christus,
door wie God met ons en bij ons wil zijn, reddend, helpend.
Jezus die heel vaak tegen zijn leerlingen zei en ook tegen ons zegt:
wees niet bang, want Ik ben bij je en Ik ga met je mee, en kom maar bij Mij, dan geef Ik je rust.

‘Proef en geniet de goedheid van de HEER, gelukkig als je bij Hem schuilt’.

naar aanleiding van Johannes 14

‘Wees niet ongerust maar vertrouw op God en vertrouw op Mij.’ Jezus zegt dat tegen z’n discipelen. En wij kunnen ons denk ik wel wel voorstellen waarom. Want de discipelen moeten zich op dat moment natuurlijk ook heel ongerust gevoeld hebben.
Immers, er is een grote verandering op komst, dat voelen ze wel aan. Jezus’ heeft het over een vertrek, een afscheid, alsof Hij binnenkort van plan is weg te gaan. En waarom dan? Waarom kan het niet blijven zoals het is? Waar gaat Hij naar toe?

En in die situatie van angst en spanning
zegt Jezus tegen hen:
‘Wees niet ongerust.
Maar vertrouw op God en vertrouw ook op Mij.’
Het zal je maar gezegd worden
op zo’n moment dat alles in je leven
op losse schroeven komt te staan.
‘Wees niet ongerust. Maar vertrouw op God en vertrouw op Mij.’
Kun je dat?
Want, laten we wel wezen
wij kunnen in ons leven ook van die situaties meemaken
dat alles opeens op losse schroeven komt te staan.
Je gaat voor onderzoek naar het ziekenhuis.
De uitslagen komen en het is niet goed.Je bent ernstig ziek.
Als zzp-er zie je door de crisis
je orderportefeuille volledig opdrogen.
Buffers om dat op te vangen heb je niet
en de vaste laten lopen wel door…
Je komt op je werk en wordt bij de manager geroepen.
Van het één op het andere moment krijg je te horen
dat je niet meer nodig bent vanwege een reorganisatie.
Over een paar maanden is het over en uit.
In één klap ziet je leven er totaal anders uit.
Of je kunt te maken krijgen met spanningen in je huwelijk,
in je gezin, in de familie, in de kerk.
Nooit gedacht dat het jou zou overkomen.
‘We zijn zo mooi met elkaar begonnen!’
Maar nu kijk je elkaar aan
en voel je dat er ongemerkt een diepe kloof is ontstaan.

Vragen beroven je van je rust. ‘Hoe ter wereld is het mogelijk?’
Het lijkt wel alsof alles wat er ooit aan liefde en trouw was, in één klap weggevaagd wordt.
Donkere krachten lijken je leven in z’n greep hebben
en opeens tonen ze hun ware gezicht.

Hoe ter wereld is het mogelijk?
Voel die ten diepste zelfde situatie
waarin de discipelen zich op dat moment in bevinden.
Met een knoop in hun maag en een wurgende onzekerheid
over de toekomst.
Alles wat veilig en vertrouwd leek,
staat opeens op losse schroeven.

En in die situatie zegt de Heere Jezus dan:
‘Wees niet ongerust, maar vertrouw op God en vertrouw op Mij.
Hoe kan dat nu een troost en een bemoediging zijn
als wij in ons leven met veel angst en onzekerheid te maken hebben?
Wordt het dan niet snel een doekje voor het bloeden: ‘Stil maar wacht maar alles wordt nieuw’?
Vooral die woorden van de Heere Jezus die volgen:
‘Ik ga heen om voor jullie een plaats gereed te maken’
Is dat werkelijk een bron van kracht zijn voor ons nu?Want als wij denken aan de hemel, het eeuwige leven, het Vaderhuis met z’n vele kamers
dan ligt voor ons het accent vaak vooral op later.
Als je komt te overlijden dan hoop je dat je daar welkom bent.
Er voor jou ook een plaats gereed gemaakt zal zijn.
Als wij denken over de hemel denken we vooral in termen van tijd. Nu op aarde. Later in de hemel. En dat worden dan al heel snel gescheiden werelden.
Maar als Jezus hier zegt ‘Ik ga heen om jullie een plaats te bereiden….’
dan bedoelt Hij niet te zeggen dat Hij vanaf dat moment alles in de hemel klaar gaat zetten.
Als het in het Nieuwe Testament over de hemel gaat,
dan gaat het niet alleen en zelfs niet in de eerste plaats over tijd – nu nog niet, straks hopelijk wel – maar dan heeft de hemel in het Nieuwe Testament vooral te maken met bereikbaarheid, contact.
We mogen in de hemel kind aan huis zijn. Nu al.
Laat ik dat ook praktisch proberen te maken. Anders blijft het een mooie fantasie.
Hoe werkt dat nou – dat de hemel de aarde begint te raken –
hoe kun je dat ook in je eigen leven steeds meer zo gaan ervaren?
En dan zegt dit Bijbelgedeelte: ‘Door te bidden in Zijn naam’. Zo gaat de hemel open.
Misschien wel op de puinhopen van heel veel wat eerder kapot is gegaan, van de wanhoop en onzekerheid
Dat er dan toch opeens bloemen beginnen te bloeien waar je het helemaal niet meer verwacht had. Nieuw leven in je huwelijk, in je gezin, in je familie, in de kerk.

Pinksteren-L-uitsnijding-20190527_155808-770x1024

naar aanleiding van Romeinen 8:14-17

In deze tijden van corona is er ook aandacht voor verzekeringen.
Ik las dat organisatoren van grote evenementen een verzekering hadden
voor situaties als waarin wij nu leven: een pandemie.
Dit keer konden ze er nog beroep doen zei de verzekeraar,
maar deze ‘calamiteit’ zal in de toekomst uitgesloten worden van dekking.
Ja, wat heb je dan aan zo’n verzekering?
Waarom zou je verzekerd willen zijn?
Het woord zegt het al, het heeft met zekerheid te maken.
Maar daaronder zit denk ik nog iets anders: angst. Dat je ergens bang voor bent.
Bang voor wat er kan gebeuren in je leven, en angst voor de gevolgen.
Je kunt ziek worden – en dan? Je kunt geen gezondheidsgarantie kopen,
maar je kunt je in elk geval verzekeren voor de beste zorg.
Ja, zelfs tegen het ultieme risico kun je je verzekeren:
een overlijdensrisicoverzekering.
Maar of het nu echt helpt? Je risico op overlijden wordt er niet kleiner door…
Zo is eigenlijk het met alle verzekeringen:
ze kunnen dat wat je vreest niet wegnemen, ze verzachten alleen de gevolgen.
Met Pinksteren hebben we het over een heel andere verzekering,
één die wel altijd helpt en alles altijd dekt:
de verzekering die de Heilige Geest geeft.
Een geweldige verzekering te midden van alles wat er kan gebeuren in het leven!

Eerst maar eens even: want waarom kwam de Heilige Geest ook al weer?
Als ik u vertel over God en Jezus,
over vergeving en een nieuw begin dan kunnen er twee dingen gebeuren.
Óf je vindt het allemaal onzin – wie zegt dat het waar is, dat God er is?
En opstaan uit de dood, dat kan toch niet?
Óf je hoort het, maar het is te mooi om waar te kunnen zijn,
te groot om te kunnen geloven.
Een nieuw leven voor altijd, voor mij? God die van mij houdt, wat ik ook doe?
Je kunt het gewoon niet geloven.
In beide gevallen kom je niet tot de geloofsrelatie die de Here met je wil, waar Jezus voor kwam!
En dáárom is nu de Heilige Geest gekomen, de grote verzekeraar.
Hij maakt dat de boodschap wel binnendringt en aanvaard wordt
en mensen vernieuwt, dat ze vergeving, vrede en vreugde krijgen!
Zonder de Geest gaat het niet.
Stel je voor dat Petrus en de andere apostelen direct na Jezus’ hemelvaart waren gaan preken in Jeruzalem, dat Jezus, de man die onlangs gekruisigd was, leeft en de Messias is – zou dat gewerkt hebben? Ik denk het niet!
Maar met Pinksteren kwam de Heilige Geest.
Hij gaf zijn kracht, en toen Petrus tóen preekte, kwamen er 3000 tot geloof.
Dát doet de Geest!

De Geest is dé grote verzekeraar. En waarvan hij verzekert?
Heel eenvoudig: dat wij Gods kinderen zijn.
Wie gelooft, mag gaan weten dat hij of zij bij Gods gezin hoort.
Dat de grote God je Váder is, dankzij Jezus zijn zoon.
Ja, dat betekent dat Zijn Vader de jouwe is,
en dat Hij jou liefheeft met dezelfde liefde waarmee Hij Jezus liefheeft.
Is dat niet onvoorstelbaar? Is dat geen grote zekerheid?
We zeggen het zo vaak gedachteloos, bijvoorbeeld in het gebed ‘Vader’,
maar besef eens hoe bijzonder dat is! Hoe Hij nabij is.
Zorgend, liefdevol, trouw, en tegelijk gezaghebbend –
want ook dat hoort bij vader-zijn, zeker in die tijd.
Jezus, de grote Zoon, maakt ook ons zonen en dochters van deze Vader.
En de Heilige Geest verzekert ons ervan, Hij maakt het waar voor u persoonlijk!
Goddank dat de Geest is gekomen.
Ik hoop dat u iets van zijn werk in uw leven herkent,
momenten van geloof en zekerheid.
En als je dat nu niet herkent, bid er maar om. Want de Geest is gekomen!
En hij doet niet liever dan mensen verzekeren.
Dan tenslotte nog eens: hoeveel verzekeringen hebt u?
Of laat ik eens iets anders vragen: hoeveel verzekering hebt u nodig?
Hoe zeker bent u van dat u een Vader in de hemel hebt en dat u zijn kind bent?
Want dát is de verzekering die we boven alles nodig hebben,
om hier zonder angst en zorgen te leven.
Die verzekering geeft de Heilige Geest,
uitgestort in mensen met het Pinksterfeest!
Dat is de levensverzekering die écht zorgt
dat je een nieuw leven krijgt als je overlijdt.
Ja, het is echt waar! Geloof het maar!
Je mág het geloven, en zéker weten.

Hemelvaart

naar aanleiding van Handelingen 1, 1-14
(met name vers 11)

Ik kan dan ook heel goed begrijpen, dat zij naar de hemel staarden…
helemaal verbijsterd.
Misschien hoopten zij wel, dat Hij weer zou terugkeren vanachter de wolk.
Dat staren is veelbetekenend. Zij stonden aan de grond vastgenageld. Hoe lang?
Er is dan geen tijd meer.
Dan bestaan alleen nog maar die ander en jij,
die ander die je niet missen kunt en die je nu kwijt raakt.
Maar terwijl zij zo staan en opzien naar de hemel,
worden zij tot zichzelf gebracht
doordat twee mannen ineens naast hen stonden. Twee mannen in witte kleding.
Zij zeiden: ‘Waarom staan jullie daar zo naar de hemel te staren?
Deze Jezus, Die van jullie is opgenomen, zal op dezelfde wijze terugkeren
zoals jullie Hem naar de hemel hebt zien varen.’
Ze krijgen dus een verklaring en een bemoediging.
Jezus is wel weg, maar zal weer terugkomen, precies zo,
uit een wolk van de hemel.
Nu nog niet, later. Nu hoef je daarop nog niet te wachten, maar, wees zeker,
Hij komt terug, eens.
Maar dat “wachten” hoeft niet te betekenen, dat je dan niets doet.
Het is niet wachten op de trein of de bus. Met de handen over elkaar!
Nee, je kunt in die tijd al vast vooruit lopen op wat er gaat gebeuren.
Dat zie je hier bij de discipelen. Zij werden actief:
‘Zij gingen naar de bovenzaal, en daar bleven zij eensgezind bijeen,
volhardend in het gebed,
met de vrouwen en Maria, de moeder van Jezus, en met Zijn broers.’
Het woord “eensgezind” springt er uit.
Allemaal zijn zij verdrietig, allemaal hebben zij troost nodig,
allemaal hielden zij zoveel van de Heer.
En dat verbindt hen, maakt hen eensgezind.
Zij denken niet meer aan zichzelf, maar aan de Meester
en hadden daarin ook oog voor elkaar, voor elkaars verdriet.
Eén gevoel leeft er in ieders hart, éénzelfde gemis houdt hen samen,
éénzelfde hoop houdt hen staande: de vervulling van de belofte van de Vader.
Zij denken aan het afscheidswoord van de Heer:
‘Ik zal u niet als wezen achterlaten, zie, Ik kom tot u!’
Zo voelen zij zich ook, als wezen,
Daarom volharden zij zo in het gebed:
dat de Heiland maar weer tot hen mag komen!
En zo wordt ook het verlangen in hen gewekt, het verlangen naar de Geest,
die Jezus beloofd had. De Trooster, Die hen in alle waarheid zou gaan leiden.
Wat hadden zij Die nodig!
Want, eerlijk gezegd, zij begrepen er niet veel van.
Er zou ook aan de discipelen nog heel wat uit te leggen zijn.
Ook daar hadden zij de Heilige Geest voor nodig.
Net als wij.
Die Geest moet ons de woorden van de Heiland indachtig maken
en ook Zijn daden en wat er met Hem is gebeurd.
Daar moeten ook wij om bidden.
Eensgezind, ja, alle kerken en gelovigen met elkaar!

Laten wij op Hemelvaartsdag, ook eensgezind zijn, met één verlangen vervuld:
dat de Geest ook op ons mag komen, wie en wat we ook zijn of denken of geloven,
hoe we ook in het leven staan, allemaal verschillende mensen,
maar met één en dezelfde Geest vervuld.
Het is immers het éne geloof dat wij belijden, de éne Heer
die wij terugverwachten en willen dienen, de éne hoop,
waaruit wij leven en die ons kracht geeft in leven en sterven,
de éne liefde, van wie niets en niemand ons scheiden kan:
de liefde van God, welke is in Jezus Christus onze Heer en Heiland.

De Heer is ten hemel gevaren.
Wij moeten wachten en ondertussen uitzien naar wat komen gaat,
eensgezind bijeen, de Heer tegemoet.

Psalm-4916-2

naar aanleiding van psalm 49

Het gaat in deze psalm om een actueel onderwerp, zeker in deze coronacrisis: de dood.
De boodschap van deze psalm is eenvoudig: alle mensen zijn gelijk (vers 2-3),
allen zijn sterfelijk (vers 13-15), en alleen in God is er hoop op leven (vers 16).

Maar dat zijn zeker niet de gedachten van veel mensen, die, ook in onze tijd,
‘op hun vermogen vertrouwen, en met hun grote rijkdom pronken’ (vers 7).
‘Hun diepste gedachte is, dat hun huizen zullen blijven bestaan,
hun woning van geslacht tot geslacht’ (vers 12).
Wijze mensen weten daarentegen maar al te goed
dat hij niets heeft om op te roemen.
Zijn huis bestaat niet werkelijk voor altijd,
en ook zijn eigen leven is maar van korte duur:
‘U weet niet eens hoe uw leven er morgen uitziet.
U bent immers maar damp, die heel even verschijnt en dan al verdwijnt.’
(Jakobus 4:14).

Tegenwoordig valt er veel te kiezen als het om sterven gaat.
Hoe gaan we daarmee om?
We leven in een tijd waarin talloze vragen op ons afkomen,
ook waar het het levenseinde betreft:
Juist omdat we kunnen kiezen houdt doodgaan ons meer dan ooit bezig.
Echt iedereen wordt aangesproken en aangespoord om na te denken
over zijn bestemming en om de les van de wijsheid op te merken
en zich eigen te maken.
Het is dus algemeen menselijk en algemeen geldig.
Daarom vind ik het opvallend dat in dit verband de naam van de HEER ontbreekt.
In de psalm vinden we alleen twee keer: ‘God.’
Maar dat betekent niet, dat het geen boodschap van God is.
Het inzicht in het menselijk leven en handelen bij de dichter
komt van de Heilige Geest.
Het is wijsheid van boven. Want wie kent de mens nu beter dan God,
die ons geschapen heeft.
De psalmdichter zegt:
‘Wijze woorden wil ik spreken, waar ik goed over nagedacht heb.
Wijze lessen heb ik geleerd’ (vers 4, 5)

De wijsheid in het gezegde is voor iedereen actueel en belangrijk.
Want ieder mens krijgt vroeg of laat te maken met de dood.
Niet alleen van iemand in je omgeving, maar ook je eigen sterven.
Hoe ga je daarmee om, van tevoren al, in het leven nu?
Hoe accepteer je de werkelijkheid van de dood?
Ook in de relatie met God, de Schepper van het leven.
Hiermee hangt samen de vraag: Hoe moeten we leven?
Hoe ga ik om met geld en bezit? Mag rijkdom wel?
Is psalm 49 daarin alleen maar negatief? Nee, niet voor iedereen
Wel voor hen die alleen maar belangstelling hebben
voor de rijkdom en praal van dit leven.
Maar voor hen die daarmee en daarnaast Gods koninkrijk zoeken,
spreekt deze psalm op zeer positieve wijze van opstanding en eeuwig leven:

‘Maar mij zal God vrijkopen uit de macht
van het dodenrijk, mij zal hij wegnemen.’ (vers 16-17)

Dat betekent: God bewaart mij voor de dood. Ik zal nog niet sterven.
Vervolgens kun je ook de lijn doortrekken naar het eeuwige leven.
Het dodenrijk zal mij niet definitief in zijn macht krijgen.
Daar zorgt God voor,God koopt mij vrij.
Ik trek hier ook de lijn naar het kruis en het offer van Jezus Christus.
Voor wie in Christus gelooft bestaat er daarom hoop op leven na de dood.
Hij koopt zijn volk los voor de prijs van zijn leven, zijn bloed.
Inderdaad: ‘Wat God vraagt voor een leven is niet te betalen.’
Maar Jezus betaalt met zijn leven.
En dan is de dood uitgekocht en heeft hij geen zeggenschap meer.
Dat geeft rust!
Dat betekent tegelijk een sterke relativering van het belang van geld en bezit.
Geld maakt niet gelukkig!
Het is slechts een gebruiksmiddel,
waar je goede en slechte dingen mee kunt doen.
God koopt je vrij. Ook vrij van angst en vrij van jaloezie.
Dat is een misschien wat dwarse boodschap in onze maatschappij.
Maar uitdagend voor wie op God vertrouwt

Mensen, wees niet bang. Het laatste hemd heeft geen zakken.
Je kun niets meenemen. Je hoeft niets mee te nemen.
Als je je dat beseft ben je pas écht rijk! In Christus.

Kolossenzen 3

naar aanleiding van Kolossenzen 3

Ja, je moet inderdaad even zoeken, want het is zo’n echt lange Paulus-zin. Het was me nog nooit opgevallen dat dat in de Bijbel stond: Christus is alles!
Paulus doet dat al schrijvend over het nieuwe leven (Kolossenzen 3:5-17). In dat nieuwe leven doet geen enkel onderscheid meer ter zake: of je nu Jood bent of Griek, slaaf of vrije, man of vrouw, oud of jong, er is in het nieuwe leven door de Geest nog maar één ding echt belangrijk: dat Christus alles in allen is!
Ik ben steeds weer onder de indruk van Paulus’ enorme passie voor zijn Heer. En van de sterke uitdrukkingen die hij gebruikt om dat te communiceren. Zoals ook in bijvoorbeeld Filippenzen 3 vers 8: ‘Voorzeker, ik acht zelfs alles schade, omdat de kennis van Christus Jezus, mijn Here, alles te boven gaat.’ Want er zijn zoveel dingen in mijn leven die alles voor me kunnen worden:
de zorg om mijn gezondheid mijn werk, mijn gezin, mijn verdriet of mijn gekwetstheid.
Maar Christus wil alles zijn. En als ik door de Geest mijn nieuwe mens aandoe, dan gaat dat ook echt gebeuren. De Geest richt je hart op Christus, die je leven is. Hij is het die van je leven het deksel afhaalt: je krijgt door dat er meer is dan je eigen verdieping. Je krijgt besef van een nieuwe dimensie: de wereld en je leven hebben met Jezus Christus te maken en zo met God zelf. De Geest is degene die je daarop richt. Hij stelt je antenne af op ontvangst van wat van boven komt. Door de kracht van de Heilige Geest ga je je oriënteren op je leven bij Christus. De Geest richt je hart op Christus. Merk je dat je leeggezogen wordt door de beslommeringen van het leven, wanhoop of angst die je overvalt? Bid om de Geest, dat Hij je daarvan bevrijd en je opnieuw afstelt op Christus. Ontdek steeds weer dat je echt alles hebt, als je Christus heb. Wat wil een mens nog meer? In Christus ligt je leven verborgen bij God. De Heilige Geest geeft je dat leven. En tegelijk is het een opdracht om dat leven te grijpen. Zo brengt de Heilige Geest geloof, vertrouwen en activiteit in ons leven. Zo brengt de Heilige Geest mensen tot liefde, tot gebed en tot bekering. Als ik wijsheid wil, en ik heb Christus, dan heb ik alle wijsheid en kennis want die zijn in Hem verborgen. Als ik volmaaktheid wil, en ik heb Christus, dan ben ik in Gods ogen het meest mooie en volmaakte schepsel. Als ik gerechtigheid wil, en ik heb Christus, dan heb ik in Hem mijn gerechtigheid. Als ik vergeving zoek, en ik heb Christus, dan ben ik in Hem vergeving. Als ik liefde zoek, en ik heb Christus, dan mag ik me de meest beminde mens ter wereld weten. Ja, als ik Christus heb, heb ik alles. Want Christus is alles. Ons leven met Christus is verborgen in God. En als Christus verschijnt, schrijft Paulus, dan zal blijken, dat Hij ook jouw leven in zijn handen heeft.
Dat is de belofte. De belofte die houvast geeft als toezegging van God zelf. De belofte die je helpt om je leven op Christus te richten.
Ik weet het: dat nieuwe leven is niet altijd even zichtbaar. Soms heb je het gevoel dat alles je bij de handen afbreekt. Je de toekomst alleen zwart en somber inziet. Je denkt dat je er helemaal alleen voor staat.
Weet dan dat het leven verborgen, geborgen ligt met Christus in God.

Volmaakt veilig!

Matteus 11

naar aanleiding van Matteüs 11,30

Juist in deze tijd van de coronacrisis zijn heel wat mensen vermoeid en gaan ze onder lasten gebukt.
Dat is niet alleen opgekomen door de crisis maar ook daarvoor leefden wij volgens psychiaters vandaag de dag in het Westen met ongezond hoge stresslevels. Niet alleen bij tegenslag of gevaar maar voor veel mensen altijd. We zijn managers van ons eigen geluk en zelfontplooiing en de lat leggen we zo hoog dat we er nooit echt klaar mee zijn. Mensen tussen de 35 en 44 worden door de Economist omschreven als ‘de generatie uitgeput’. Anderen zeggen dat het juist de twintigers zijn van nu die een hoog risico lopen op een burn-out. We hebben een manier van leven ontwikkeld waarin we onszelf en elkaar niet aanzetten tot zelfbeperking. Iemand merkt op: deze wereld lijkt nooit ‘nee’, ‘kan niet’ of ‘mag niet’ te zeggen, maar zij wakkert onze verlangens juist aan.’

En in zo’n stressvolle samenleving zegt Jezus: als je een juk draagt, draag dan het mijne. Het beeld dat Jezus hier gebruikt is goed gekozen. In zijn tijd werd een oudere ervaren os altijd gekoppeld aan een jongere os en samen liepen ze onder één juk. Zodat het ervaren dier het jongere beest kon leren hoe je je energie zo verdeelt, hoe je ritmes ontwikkelt waarmee je het ploegen langere tijd kunt volhouden en ook de hitte van de dag kunt doorstaan. Kijk zegt Jezus, als je onder lasten gebukt gaat en het moe bent om altijd maar te piekeren en te tobben. Als je ergens diep van binnen op zoek bent naar rust, naar een vorm van geloven die meer een lust is dan een last dan bied ik je aan om samen op te trekken. Samen onder één juk op weg te gaan. En rust te vinden.

Wat voor soort rust is dat eigenlijk, waar Jezus over spreekt? Het is niet een permanente feeling good-gevoel. Het is ook niet een stoïcijnse rust waarmee je jezelf afschermt, je afstand bewaart, van alles uitfiltert en je onbewogen leeft. Welnee, we komen juist bij Jezus diepe emoties tegen. Hij kan buikpijn krijgen van ellende, in huilen uitbarsten. Hij kent het bloed, zweet en tranen van geestelijke strijd, hij kent heilige woede, maar ook intense vreugde.
Wat bedoelt Jezus dan als hij zegt dat hij ons juist wil leren wat rust is? De rust die hij zelf leeft en aanbiedt is van een heel eigen soort. Het is de innerlijke rust en stabiliteit van een nieuwe verhouding tot God. Waar het onzekere zwoegen, de angst of het wel genoeg is plaats maakt voor een leven vanuit de goedheid en genade van God.
Jezus verbindt zelf deze rust hier met zachtmoedig zijn en nederig. Dus niet egocentrisch, dominant, veeleisend, streberig, ambitieus. En dit is wat we in Jezus’ levenshouding proeven. Want hij ademt in zijn hele manier van zijn eigenlijk nooit stress uit, of overprikkeldheid of overbelasting. Hij heeft een innerlijke rust van waaruit hij ieder mens en iedere situatie alle aandacht kan geven die nodig is. Vanuit een innerlijke rust leert hij ook om te onderscheiden waar het in zijn leven op aankomt. Juist in de rust, in de stilte ontdekt hij zijn roeping.

Een juk is zacht als het je als gegoten zit, als het je past. Een last is licht als het berekend is op jouw draagkracht. Je je niet vertilt, jezelf niet overvraagt, niet boven je kunnen reikt. Jezus zegt: kom bij mij. Laat mij heer en meester zijn ook over je sabbat. Waar ben jij zo moe van, zo belast? Welke heren en meesters dien jij eigenlijk? Welke druk leg jij jezelf eigenlijk op? Van wie moet jij je eigenlijk zo op je tenen lopen? Hoe en waar is die permanente rusteloosheid deel van je levensstijl geworden? Voor wie doe je wat je doet? Welk juk draag je. Voor God hoeft het er in elk geval niet zo uit te zien. Hij is niet over-kritisch, overvragend, afwijzend, afkeurend, maar mild, vriendelijk, tegemoetkomend, welwillend. Geen reden dus voor gepieker en getob.

Als je vermoeid bent en onder lasten gebukt gaat. Kom dan naar Mij, ik zal je rust geven. Letterlijk staat er in het Grieks: ‘Ik zal je een anapauzoo geven. Dat spreekt mij aan. ‘Ik zal je pauze geven.’ Jezus zegt niet in de eerste plaats: doe dit, doe dat. Maar: kom naar mij. Het juk van Jezus is niet de zoveelste zware last. Het is niet: doe meer. Maar: doe minder. Het juk van Jezus begon niet bij: doe dit voor mij dan hoor je erbij. Maar het begon bij wat Hij deed voor jou. Kom naar mij, ga eens zitten aan de voet van het kruis en wees stil. In het licht van alles wat Hij heeft gedragen, de last van mijn zonde en schuld, van menselijk lijden en nood is dat wat ik mag dragen met recht een lichte last, een zacht juk.

houd vol houd vast

naar aanleiding van Klaagliederen 3

‘Wij leven nog.’ Dat zeggen mensen, die een ernstig ongeluk of een coronabesmetting hebben overleefd.
‘Wij leven nog. God zij dank.’ In zulke woorden klinkt dankbaarheid door. En verwondering.
Het had immers heel anders kunnen aflopen.
‘Wij leven nog.’ Dat kunnen we allemaal zeggen, als we het breder trekken.
De wereld bestaat ook nog. Als je het programma ‘Frontberichten’ op de publieke omroep af en toe ziet, dan weet je dat dit bepaald niet vanzelfsprekend is.

Wij leven nog. ‘Zolang er leven is, is er hoop,’ zeggen we.
Voor gelovige kinderen van God dus altijd, dagelijks.
Want zij hebben een belofte van eeuwig leven door Jezus Christus.
In dit gedeelte van Klaagliederen worden we door de HEER meegenomen naar de fundamenten van ons bestaan. Naar de vaste grond onder ons leven, zelfs als we in nood zijn. Daarbij staat de hoop centraal. Hoe komt het, dat wij nog leven? Hopen op de HEER, dat willen we blijven leren. Want er is ondanks alles reden voor verwondering en dankbaarheid jegens de Heer.

In de eerste hoofdstukken van Klaagliederen wordt het lijden van de bevolking van Jeruzalem uitvoerig beschreven. Het lijden van de gemeenschap.
In hoofdstuk 3 vinden we de worsteling van de gelovige met het lijden.
De dichter van dit derde klaaglied maakt zich tot tolk van die gelovigen in Israël in de nood van de ballingschap. Hij ondervindt lijfelijk hoe de hand van de HEER zich tegen hem keert. Hij zegt:
‘Ik ben de mens die te lijden heeft onder de stok van zijn toorn.
Hij leidt mij en voert mij – in een lichtloos duister.
Tegen mij heft hij zijn hand op, steeds opnieuw, dag na dag.’
Deze dichter is geen journalist, die met camera en microfoon de ellende van anderen
verslaat, zonder lijfelijke betrokkenheid. Ellende zien is voor hem ellende meemaken,
ervaren aan den lijve. Gods hand heeft zich tegen hem gekeerd.
Hoe verschrikkelijk erg dat is, werkt hij uit in de verzen 4-18. Moet je eens lezen en
tot je laten doordringen wat hij van de HEER zegt:
‘Als een beer loert hij op mij, als een leeuw in het verborgene.
Hij dringt me opzij, hij verscheurt me en verwoest mijn leven.
Hij spant zijn boog en kiest mij als doelwit voor zijn pijlen.’
Deze man gaat er bijna onderdoor.Die ervaring, die schreeuwende ellende.
Hij is zijn geluk kwijt, is vergeten wat geluk is.
Hij is zo ongeveer de wanhoop ten prooi.
‘Steeds denk ik: Verdwenen is mijn glans, vervlogen mijn hoop op de HEER.’
Dat is het dieptepunt. De hopeloosheid. Maar het is niet het laatste woord.
Maar er volgt in zijn denken en in zijn lied een omslag in vers 19-21.
Want hij gaat aan de HEER denken en hoe Hij werkelijk is.
Dat de HEER een God is die toornt, maar ook een God van ontferming,
van liefde en van trouw.

En als hij dat weer beseft en zich daarop richt, dan weet hij:
‘Er is hoop!’
Wat doet hem dan hopen op de HEER? Wat wil hij zich te binnen brengen en er hoop
en troost aan ontlenen? Dit:
‘Genadig is de HEER: wij zijn nog in leven! Zijn ontferming kent geen grenzen.’
Wij zijn niet omgekomen, dringt ineens tot hem door. Wij zijn nog in leven. Ik kan zelfs een klaaglied dichten en zingen en de HEER aanspreken en de nood van mij en mijn volk klagen.
Het lijden heeft niet het laatste woord. Juist door je nood te klagen en je lijden te beleven voor het aangezicht van God ontstaat er nieuwe hoop. Vers 21 zegt: Toch geef ik de hoop niet op, want hieraan houd ik vast.
Op de bodem van zijn hart weet de gelovige dat God het goede verlangt voor de mensen (vers 33). Dat is het diepste van zijn wezen. Slechts met tegenzin brengt Hij leed en rampspoed over de mensen. Het is niet naar zijn hart. Naar zijn aard is Gods hart vol vriendelijkheid en goedheid. Het gaat Hem aan het hart als Hij de dingen recht moet zetten door het oordeel.

Deze taal van de hoop staat niet los van de taal van het lijden in het eerste gedeelte. Maar juist het uitspreken van de nood en het lijden en de zonde voor het aangezicht van God brengt tot het inzicht van vers 24: Ik besef: mijn enige bezit is de Heer, al mijn hoop is op Hem gevestigd.
Wij hebben de taal van het klaaglied, in het boek Klaagliederen en in de Psalmen, nodig om door ons lijden heen en via de taal van de klacht terug te kruipen naar onze hoop op God. Wij hebben in de kerk niet alleen een theologie van de gloria nodig maar ook een theologie van de hoop, niet alleen aanbiddingsliederen maar ook klaagliederen.

Soms kan je leven uitzichtloos lijken. Lichtloos duister (vers 2). Je voelt je verstoken van vrede en geluk (17). De glans verdwenen, de hoop op God vervlogen (18). Weet dan één ding: God is niet afwezig in het lijden. Gegronde hoop dus in Christus alleen. Dat stelt niet teleur. Want deze hoop slaat het anker uit omhoog in de vaste bodem van Gods beloften. Daarom zal ik op Hem hopen. Morgen is Gods ontferming weer nieuw, net als gisteren. En overmorgen. Hopen op de HEER heeft dagelijks zin. Voor zijn aangezicht mogen wij onze nood uitspreken. Om daardoor weet moed te vatten en met de dichter van Klaagliederen te zeggen:

Toch geef ik de hoop niet op!