Eerder schreef ik over het idee dat een aangevochten geloof
in de zin van dat je door vertwijfeling heen bent gegaan
om het vertrouwen te krijgen dat je Gods kind bent,
dat je daarmee in deze tijden van corona sterker staat in het geloof.
Waarom schreef ik dit?
Laat ik het anders stellen:
Is een positief mensbeeld bestand tegen
de machten en krachten van het kwaad?
Een populair mensbeeld waarbij er alleen maar wordt gesteld
dat God je aanvaard zoals je bent.
Ik wil in deze blog dit verder uitwerken.

De zestiende-eeuwse kerkhervormers
schreven in de Heidelbergse Catechismus
dat de mens niet instaat was tot enig goed.
‘de mens is geneigd tot alle kwaad’ en ‘onbekwaam tot enig goed’.
De zogenaamde leer van de erfzonde.
Eigenlijk wilden ze daarmee een antwoord geven op de vraag:
hoe gaan we om met de werkelijkheid van goed en kwaad?
Want – zo zeiden ze – wij mensen kunnen niets in de weegschaal leggen,
ons nergens op beroepen,
om God ervan te overtuigen dat Hij ons lief zou moeten hebben.
Dat is louter een kwestie van genade.
Binnen de relatie van de mens met God kan ik niet zeggen:
ik deug.
In het licht van Gods heiligheid kan ik pas goed beseffen
dat ik tekortschiet,
maar tegelijkertijd staat daar die tekortkoming
in de context van Gods genade.
Dat helpt ook voor je relatie, je houding naar anderen toe:
je kijkt er niet vreemd van op als anderen soms niet deugen,
want je weet dat dat kwaad ook in jezelf zit.
In die zin kan het idee dat de mens van nature is geneigd tot kwaad,
juist een houding van mildheid opleveren.

Zeker als mensen onderling en in onze relatie met de natuur
kunnen we zeker goede dingen doen.
Iets wat je kunt omschrijven als een rechtvaardig leven.
Maar zo’n leven vergt ook en in de eerste plaats het inzicht
dat ik mezelf niet kan rechtvaardigen.
Niemand leidt een volledig rechtvaardig leven.
Als antwoord op dat idee, dat we altijd tekortschieten, wat we ook doen,
brachten de zestiende-eeuwse kerkhervormers in:
‘God aanvaard mij, maar ik moet ook nog steeds zelf handelen.
Dietrich Bonhoeffer vraagt in zijn gedicht ‘Wie ben ik?’
zich af of hij de sterke persoon is die anderen in hem zien of de zwakke, angstige mens die ik zelf zie.
En dan eindigt hij met: ‘Wie ben ik? Wie ik ook ben, U kent mij’.
Het verwoordt precies het besef geaccepteerd te zijn, ongeacht wie je bent. Het geeft je een realistische blik op het leven.
God accepteert mij, hoezeer ik ook faal alle slechte dingen uit te bannen. Luther zegt het dan mooi:
‘in het geloof in Christus kan je geweten gerust slapen.’
Het beschuldigt je niet meer.
Dit verandert je motivatie om het goede te doen:
je doet het niet om geaccepteerd te worden,
maar omdat je vorm wil geven aan het feit dat je geaccepteerd bent.
Dus als je aanvaardt dat je van nature verloren bent,
Ik geloof niet dat een heel optimistisch mensbeeld uiteindelijk bestand is tegen het kwaad in de wereld. Juist vanuit het besef van het eigen tekort, waarin je je wonderlijk genoeg aanvaard mag weten, ben je in staat om niet gelijk om te vallen door het tekort van een ander.
De Engelse ethicus Theodore Dalrymple zei een jaar of tien geleden:
‘als je geen erfzondeleer hebt,
heb je geen verweer tegen wat er allemaal
aan kwaad kan gebeuren in je leven.’
Dat God je uit genade accepteert zoals je bent
brengt dat uiteindelijk rust teweeg,
zet je anders in relatie met je medemens
en doet je sterker staan in aangevochten geloof.

Ook wie in een gemeente meeleeft kent er iets van:
de vreemde murwheid en uitgeblustheid die je soms ineens kan overvallen. Zeker in deze tijd van corona.
Deze diepe vermoeidheid kan iedereen overvallen,
ook toegewijde gemeenteleden.

Hoe moet je daar in prediking en pastoraat nu mee omgaan?
Volgens door dit onzichtbaar aanwezige ongeloof,
deze onderhuidse twijfel en toenemende verveling openlijk te benoemen. En door tijdgenoten met aandacht en mededogen, zonder veroordeling, vanuit de Schriften nabij te komen.
Laat juist de Schrift niet zien dat God niet ‘voor het oprapen’ ligt
en dat geloven in de Onzienlijke geregeld een zware opgave is.
Staat er niet geschreven dat je enthousiast kunt beginnen
maar het beu kunt worden,
dat geloven lang niet altijd goed voelt en
het vaak een klus is om het vol te houden?
Ik ben ervan overtuigd dat deze noties méér aanspreken,
meer lucht en troost bieden,
dan allerlei bemoedigende slogans waar we
‘de week weer mee in kunnen’.
Want preken die eenzijdig suggereren
dat God altijd onder handbereik is
en klaarstaat met genade en geborgenheid,
gaan op den duur vervelen en irriteren.

Zulke preken hebben méér iets van pleisters plakken in de ruimte
dan van wonden blootleggen en behandelen.
Mensen van vandaag zijn volgens mij meer geholpen
met preken die niks verbloemen van onze innerlijke weerzin
tegen wat God met ons voorheeft
en van onze neiging ons zo makkelijk mogelijk van Hem af te maken. Preken ook die eerlijk erkennen dat je God eerder kwijt bent dan rijk,
dat Hij geregeld niet te volgen is
en dat wij meer dan eens nauwelijks iets van Hem gewaarworden.
Preken ook die iets tonen van het gevecht met je eigen hart,
dat minder meegaand is dan je zou wensen,
van de twijfel en het ongeloof die je te pakken kunnen nemen,
en van de worsteling met God, óm God, tegen alle vertwijfeling in.
Zit achter het verlangen van velen naar ‘aansprekende’ preken
geen honger naar woorden die vanuit de Schrift ingaan
op de omgang met God, met alle verrassing en verbijstering,
met alle verzoeking en vertwijfeling, met alle verzet en verlangen,
met alle verlatenheid en geborgenheid vandien?
Zou dat niet de remedie zijn om het aangeprate en opgeplakte geloof voorbij te komen en levend geloof gaande te maken en te voeden?

Ik denk dat met zo’n existentiële aanpak
het in de preek opnieuw gaan vonken en vlammen.
Omdat mensen zich gezien en opgezocht weten in hun twijfels en vragen en vanuit de Schrift worden aangespoord – soms op leven en dood – opnieuw te roepen om God zelf.
Zal de Levende niet uitgerekend daar van zich laten horen?
Om ons door de Geest woorden in te fluisteren
die je zelf niet meer bedenken kunt?
En geloof te wekken dat, hoe fragiel ook, niet zomaar kapot te krijgen is?

Enige tijd geleden – ver voor de coronacrisis – publiceerde een aantal collega’s een artikel over het geloof onder kerkgangers. Ze ontmoetten vaak mensen die het geloof beu waren. Allerlei signalen wezen daarop: kerkgang zonder verlangen naar de ontmoeting met God, Bijbellezen zonder verwachting en verrassing, een kwijnend gebedsleven.
Een belangrijke oorzaak daarvoor was volgens hen gelegen in het feit dat het geloof ongemerkt en sluipenderwijs tot ‘gemeengoed’ is geworden. Het is niet langer een gave van God, door twijfel, verwarring en aanvechting verworven.

Als je in een traditie staat waarin God niet automatisch jouw God was en jij niet vanzelfsprekend zijn kind is geloof zeker geen ‘gemeengoed’. God moet gezocht en gevonden worden. Sterker nog: het gaat erom dat jij door Hem gezocht en gevonden wordt. Je bent niet bij voorbaat gered, eerder van nature verloren. Intussen was je in de doop wel het beslissende toegezegd. Maar dat lag niet voor het oprapen. God is niets aan ons verplicht, maar wel alles verplicht aan zichzelf – en daarmee aan ons. In die beloftevolle spanning kwam het aan op een diepe doorleving. Het spande erom om van Hemzelf te vernemen en er zo van overtuigd te raken, dat Hij jou genadig is. In die strijd tussen hoop en vrees kon het er heftig aan toe gaan. God kon nabij komen en eindeloos ver weg zijn. Je kon in de ban zijn van de twijfel aan zijn bestaan als je dagen en nachten niks van Hem vernam. En er kon een diep vertrouwen geboren worden als Hij van zich liet horen. Het was een strijd met God, óm God.

Het gevolg was een geloof dat was verankerd in de Levende zelf. Wars van alle zelfverzekerdheid en tegelijk zekerder dan wat ook maar. Het was het geloof dat door de diepten van ‘verliezen en verloren zijn’ was heen gegaan; het geloof als vrucht van bange worsteling en verrassend geschenk van God. Kostbaar, omdat het je niet was komen aanwaaien of was aangepraat. Weerbaar, omdat het door allerlei innerlijke vertwijfeling was heen gegaan, gehard en gestaald in het gevecht: ‘ik laat U niet gaan, tenzij U mij zegent’.

Zou het kunnen zijn dat een opgroeiende generatie van kinds af aan inmiddels te veel wordt aangepraat dat Jezus op voorhand je beste vriend is? De gevolgen daarvan zie ik om me heen: geloof als het sluitstuk van een redenering, zonder daadwerkelijke bekering, zonder ‘goede strijd’ om met God in het reine te komen. Een geloof ‘van horen zeggen’, zonder zelf zijn overtuigende stem te hebben vernomen. Een geloof dat je jezelf voor een appel en een ei hebt eigengemaakt. Dat daarom ook voor de eerste de beste schotel linzen van de hand kan worden gedaan.

Daarmee zijn we bij de kern. Een geloof dat niet op leven en dood is verworven, wordt niet als een kostbaar geschenk gekoesterd. Het is niet bestand tegen de kritische vragen van een wereld die het zonder God ook prima voor elkaar heeft. Het is evenmin opgewassen tegen de harde werkelijkheid van alledag, waarin je vaak bitter weinig van God gewaar wordt. De twijfel zit bij velen maar net onder de oppervlakte. En zodra ze de kop opsteekt, blijkt ze veel dieper geworteld dan men zelf vermoedde. Geruisloos valt het geloof af, als een verdord blad van een boom. Geloof dat niet ontvonkt is aan de omgang met God, met alle verbijstering en verrukking vandien, wordt op den duur een saaie bedoening. Het wordt een riedel, die je steeds minder raakt en die je na verloop van tijd beu wordt. Bovendien – kijk om je heen! – zonder geloof kun je toch ook prima een goed mens zijn?

Deze overtuiging is tegenwoordig wijdverbreid. Mijn vraag is of zo’n geloof ook bestand is tegen de coronacrisis waarbij mensen voornamelijk op zich zelf zijn teruggeworpen.
Kunnen we – juist in deze periode –  het tij keren?
Daar wil ik in een volgende blogpost verder op door gaan.

Toen in maart de coronamaatregelen van kracht werden
betekende dat ook voor kerken
dat de ‘traditionele’ diensten werden opgeschort.
Hard werd er gewerkt aan een mogelijkheid
om elkaar online te ontmoeten.
En dat heeft geresulteerd in een veelheid van online diensten
die vrijwel zondag aan zondag het wereldwijde web opgeslingerd worden en die – zo laat ik mee vertellen –
door veel mensen worden beluisterd en bekeken.
Toch hoorde je dat veel mensen de diensten en het samenkomen misten.
Maar nu voorzichtig aan er, met inachtneming van de coronamaatregelen, weer diensten worden gehouden in kerkgebouwen
blijkt het dat veel kerken de maximaal toegestane aantallen
niet worden gehaald.

De groep mensen die nu wegblijft,
heeft vaak de meest uiteenlopende redenen om niet te komen.
Ik noem er een paar:
ik ga niet naar de kerk, want we kunnen nog niet zingen;
ik ga niet naar de kerk, want het is zo’n gedoe met inschrijven;
ik ga niet naar de kerk, want het is zo kil als je zover uit elkaar zit;
ik ga niet naar de kerk…het is nog zo anders dan ik gewend ben;
ik ga wel weer een keer als alles weer normaal is.
Ook zijn er ouderen die het vanwege het coronavirus niet durven.
Andere mensen vinden het juist fijn om een dienst online
vanuit de luie stoel te volgen.
Er zijn zelfs stemmen die zeggen dat
de terugloop van het aantal kerkgangers
door de coronacrisis nog sneller zal gaan.

Ooit schreef Van Ruler, een theoloog van midden twintigste eeuw
een boek ‘Waarom zou ik naar de kerk gaan?’
met een aantal argumenten om juist wel naar de kerk te gaan.
Ik noem er een aantal: om een kans op bekering te lopen (tot in je binnenste geraakt worden door Gods Woord);
om een gewoonte vast te houden (stijl, roeping);
om een traditie voort te zetten (als schakel in een lange keten, vanuit het voorgeslacht);
om de wereld voor te dragen ( voorbede, alle dingen met God bespreken); om rust te vinden (even terugtrekken uit de hectiek van alledag);
om weer op toonhoogte te komen ( godsdienst-oefening, Gods bedoeling met ons leven);
om in het openbaar mijn geloof te belijden (ik belijd mijn geloof. De kerkgang zelf is belijdenis).

Zijn deze argumenten nog valide
of moeten we in onze tijd toch anders gaan denken?
Ja, hoe moet dit nu verder?
Hebben wij de fysieke kerk te belangrijk geacht
voor de geloofsgemeenschap?
Zijn wij niet op allerlei andere manieren ‘kerk’?
Moeten we de ‘diensten’ heel anders gaan opzetten? Echt omdenken?
Het lijkt me een hele uitdaging om daar de komende tijd
verder over na te denken
en ik zal daar ik komende blogs zeker op terug komen.
Mochten mijn lezers mee willen denken dan verneem ik dat graag!

Juist in de Veertigdagentijd worden christenen opgeroepen zich nadrukkelijker dan anders te bezinnen op hun eigen doen en laten. Deze bezinning staat in het teken van het lijden van Jezus Christus voor ons en onze wereld.

In het verleden werden christenen vaak bekritiseerd op het feit dat zij faalden in het volgen van Jezus in meest donkere en duistere momenten in de wereldgeschiedenis. Hoe zal het handelen van christenen in onze tijd worden beoordeeld door de geschiedenis?  Je kunt aan de hand van de Bijbel vier vragen stellen:

‘Toen ik naakt was, gaven jullie mij kleren. Toen ik ziek was, zochten jullie mij op. Toen ik gevangen was, kwamen jullie naar mij toe.Elke keer dat jullie iets goeds deden voor één van de gelovigen die hier naast mij staan, deed je iets goeds voor mij.’ Matteüs 25:36, 40

‘Dit is wat de Heer zegt: “Houd je aan mijn regels. Spreek eerlijk recht. Behandel iedereen goed en rechtvaardig. Maak geen misbruik van mensen zonder macht, maar bescherm hen tegen hun onderdrukkers. Gebruik geen geweld tegen vreemdelingen, tegen weduwen, of tegen kinderen zonder vader. En vermoord geen onschuldige mensen.”‘ Jeremia 22:3

Kunnen wij als volgers van Jezus Christus deze opdracht klakkeloos naast ons neer leggen omdat onze eigen financiële zekerheid, ons eigen comfort, onze nationale en politieke stabiliteit  misschien op het spel staan? Volgens mij is Gods Woord hierover uitermate duidelijk. Toch zijn er christenen die buitengewoon passief blijven en soms zelfs enorm agressief als het gaat om mensen die aan hun ‘gespreide bedjes’ komen.

‘Maar als je sommige mensen beter behandelt dan andere mensen, doe je het verkeerd. Dan is het duidelijk dat je je niet aan Gods wet houdt.’ Jakobus 2:9

‘Wie zegt in het licht te zijn maar zijn broeder of zuster haat, bevindt zich nog altijd in de duisternis.’ 1 Johannes 2:9

Hoe kunnen christenen schijnbaar kritiekloos voorbijgaan aan mensen die worden gediscrimineerd of door overheden stelselmatig worden misbruikt? Er worden talloze mensen achtergesteld op basis van hun afkomst, hun religie of hun geslacht. En wat hebben wij gedaan? Hebben wij deze praktijken publiekelijk veroordeeld? Hoe kunnen mensen die een God dienen die gestorven is voor de hele mensheid, wegkijken als er in naam van ons wordt gemoord en onderscheid wordt gemaakt tussen mensen?

‘Geliefde broeders en zusters, u bent als vreemdelingen die ver van huis zijn; ik vraag u dringend niet toe te geven aan zelfzuchtige verlangens, die uw ziel in gevaar brengen.Leid te midden van de ongelovigen een goed leven, opdat zij die u nu voor misdadigers uitmaken, door uw goede daden tot inzicht komen en God eer bewijzen op de dag waarop hij komt rechtspreken. ‘ 1 Petrus 2:11-12

Geloven we in Gods voorzienigheid of blijven we bezig om vrienden te maken met de onrechtvaardige Mammon? Proberen we koste wat het kost onze eigen rijkdom veilig te stellen en te vermeerderen?

Laten we juist in deze tijd ons er zelf op bezinnen hoe de geschiedenis en vooral hoe God ons handelen zal beoordelen. Dat Gods Naam mag worden grootgemaakt vanwege onze acties! Eén ding is zeker: er is hoop voor onze wereld omdat Jezus leeft! Dat de heilige Geest ons kracht mag geven om een verschil te maken!

Romeinen 12,10

 

Het is een feit dat de kerk in de westerse wereld krimpt. En toch zit er nog steeds een behoorlijk aantal mensen regelmatig op zondag in een kerkgebouw en neemt deel aan een dienst. Wat zou het mooi zijn als dat groepje enthousiastelingen iemand uit hun omgeving meeneemt naar zo’n kerkdienst waar hij of zij zoveel geestelijke voeding, troost en kracht uit put.

Toch…?natuurlijk bestaat God

ja, maar…

– ‘de preek is niet zo sterk’ (waarom ga je zelf dan?)

– ‘ik denk er gewoon niet over na’ (huh, zo’n geschenk helemaal gratis; dat wil je toch delen?)

– ‘het is zo saai in de kerk’ (nogmaals, waarom ga je zelf dan?)

– ‘de muziek is niet zo goed'(waar geniet jíj dan van?)

– ‘de Heilige Geest moet mensen trekken’ (ja, en door wie ook al weer?)

 

Wat zijn jouw redenen om niemand voor zondag in een dienst uit te nodigen?

Het was me het zomertje wel. Nee, nu bedoel ik niet die toch mooie zomermaanden… maar ik bedoel de situatie in de wereld: geweld in Syrië, Irak, Oekraïne, tussen Gaza (Hamas) en Israël, de ebolavirus-uitbraak in Afrika, onrust in Noord-Afrika en wat voor plaatsen die ik vergeten ben te noemen of niet in de media zijn geweest.Dachten we ons veilig in fort Europa, in Nederland, kwam de buitenwereld wel heel dichtbij in de vorm van het neerhalen van vlucht MH 17 met zoveel van onze landgenoten als slachtoffer. Je zou kunnen denken dat we, gezien de enorme populariteit van allerlei misdaadseries en detectives, op de bank voor de buis toch enorm gewend waren geraakt aan geweld en misdaad. Maar nu zij zich manifesteert in een niet aflatende stoet van kisten op vliegveld Eindhoven grijpt de angst en vrees voor de buitenwereld ons pas echt bij de strot. eerst was het misschien alleen nog de verhuftering en verruwing van de samenleving die sommigen van ons zorgen baarde, nu wordt onze angst ook nog door ‘buitenlands’ geweld gevoed. angsthaasDe vraag dringt zich op of wij in onze tijd aan meer gevaren worden blootgesteld dan onze voorouders. Ik denk dat je die vraag niet gemakkelijk met een volmondig ‘ja’ kunnen beantwoorden. Waar het volgens mij meer aan ligt is dat tegenwoordig het liefst bevrijd willen worden van alle risico’s. Nederland is het meest (over)verzekerde landje op deze aardbol. Alle toekomstige gevaren moeten worden ingecalculeerd, uitgebannen en we dienen op alles voorbereid zijn. Ziedaar de mens zonder God. Er is geen God meer in wiens handen de eigen toekomst kan worden gelegd. De huidige seculiere mens is op zoek naar zekerheid. Zekerheid ontleend aan controle en beheersing gebaseerd op wantrouwen. Een christen leeft vanuit vertrouwen, Godsvertrouwen. Gebaseerd op overgave; ook al is er in je leven tegenslag en valt alle grond onder je voeten weg, toch mag je erop vertrouwen dat er sprake is van een Macht ten goede, die jouw levenslot in handen heeft.   

Kortgeleden heb ik het boek van dr. Maarten Wisse Zo zou je kunnen geloven. Hij geeft daarin  onder andere een interessante analyse in wat hij noemt de verschillende vormen van verwoording van het christendom. Hij heeft het dan over ‘traditioneel-‘, ‘modern-‘,’evangelicaal-‘ en ‘buitenkerkelijk-‘christendom. Hij geeft van elk van de vormen een sterkte en een zwakteanalyse. In deze column wil ik me graag beperken tot de vierde vorm die Wisse beschrijft: het buitenkerkelijk christendom. Als je in de boekhandel kijkt dan vinden liefhebbers van die hun  boeken meestal op de boekenplank ‘spiritualiteit’. ‘De meeste ‘gelovigen’, zo zegt Wisse, bevinden zich momenteel buiten de kerk. Meer dan de helft van de Nederlanders noemt zichzelf ‘religieus’ of ‘spiritueel’, maar een klein deel van die mensen bezoekt regelmatig een kerk; of zoals Ernst Daniël Smid het eens zei: ‘Mijn familie en vrienden zijn niet opgehouden te geloven; ze zijn gestopt met naar de kerk gaan.’ In de hedendaagse vormen van het buitenkerkelijk christendom, zo stelt Wisse, is er een herleving van het geloof in de voorzienigheid, een principe ‘Al’ of het ‘lot’ dat alles bestuurt zonder te achterhalen zin. En juist dat is voor heel veel mensen in de moderne maatschappij een troost. In tegenstelling tot het eindeloos moeten maken van zoveel keuzes, kun je je tegenwoordig rustig overgeven aan de wetenschap dat alles al van te voren is bepaald. Waarschijnlijk verklaart dat de populariteit van een boek als Wij zijn ons brein van Swaab dat stelt dat de mens helemaal geen vrije wil heeft. Maar aanhangers van dit type ‘christendom’ vind je nog nauwelijks terug in de kerkbanken. Immers, de kerk staat voor al die ge- en verboden, dat keurslijf, waar mensen keurig netjes lijken zijn (maar ondertussen…), de dominee volledig tegen elke trend in een monoloog houdt van een lengte meer dan een mens kan verdragen etc. etc. etc. Het karakter van dit type ‘christendom’ zit er juist in dat je alles mag aanvaarden wat jij maar wilt, maar het hoeft niet. Jij bent de instantie voor wat waar, prettig of goed voelt.

Waarom ik hier zoveel woorden aan wijd? kwetsbare aardeOmdat Wubbo Ockels onlangs op 18 mei overleed. ‘Nee, Wubbo geloofde niet’ zei zijn dochter nog desgevraagd. Maar feit is dat Ockels nadat hij vanuit de ruimte de kwetsbaarheid van onze planeet had vastgesteld, met een waar zelotisme zich inzette voor de bewustwording van de mens voor deze kwetsbaarheid en de overtuiging dat wij mensen moeten ophouden deze kwetsbaarheid door ons handelen te verhogen. ‘Laat elk van ons helpen om onze religie vorm te geven. Laat elk van ons zijn geloof uitspreken in een duurzame mensheid’ schreef hij laatst nog in zijn ‘Happy Energie Religion’. Eerlijk gezegd hierin vind ik ook een nieuw soort ‘buitenkerkelijk christendom’ in ontstaan. Zoals ook in die buitensporige omgang met dieren waarin bijvoorbeeld een Partij voor de Dieren (alleen de naam al) zich in verliest, en het fanatisme waarin allerlei religieuze of spirituele elementen uit verschillende bestaande godsdiensten worden gekaapt om zo de leegte te vullen van de eigen spiritualiteit met zaken die ik zelf goed vind voelen, die mij iets opleveren.

Ik geloof het wel.  Nee, niet meer in de kerk met het verkalkte structuren in mensen die geen haar beter zijn dan de anderen; ik stel mijn eigen menu wel samen, en soms luister ik, als het me uitkomt en mij zelf niet al te veel kost, ook naar een man die op zijn sterfbed een boodschap achterliet voor de  mensheid waarin God vervangen is door ‘het milieu’ en ‘de zonde’ bestaan uit ‘de moderne geneugten van het leven’.  Mijn  eigen menu samenstellen, de vaagheid en vrijblijvend is, denk ik, terecht, een goed analyse van Wisse die deze beide zaken noemt als zwakte van het buitenkerkelijk christendom. Ik geloof het wel, zolang mij het zint. Geloof als individueel project dat naar believen kan worden verbouwd, met een gemeenschapsaspect dat werkelijk flinterdun is en misschien net zo kwetsbaar als het beschermend laagje dat de astronaut zag vanuit de ruimte.

Want ik ben verzekerd dat noch dood, noch leven, noch engelen
noch machten, noch heden noch toekomst, noch krachten, noch hoogte
noch diepte, noch enig ander schepsel ons zal kunnen scheiden
van de liefde van God, die hij ons gegeven heeft in Christus Jezus, onze Heer.

Romeinen 8 vers 38 en 39

Eigenlijk weet ik het wel: al dat oorlogsgeweld in zoveel verschillende landen. Mali, Centraal-Afrikaanse Republiek, De Krim, Syrië. Door de tijd heen flitsen weer nieuwe of al bestaande brandhaarden op in de media omdat er in een bestaande geweldspiraal een belangrijk nieuws is te melden. Zo ook vandaag: het nieuws dat de Nederlandse jezuïet Frans van der Lugt in Syrië is vermoord. Hij woonde al lange tijd in het Syrische Homs waar hij de herder was niet alleen voor de kleiner wordende christelijke gemeenschap, de gehandicapten in Homs, maar voor de hele bevolking van de stad die lijdt onder het geweld. Het wrange is dat al die onnoemelijk velen geen nieuwsfeit meer vormden voor de media (en dus voor ons) en we eigenlijk een beetje ‘Syrië-moe’ waren en dat door de dood van deze geestelijke de camera’s ineens weer gericht staan op het conflict. Wie hem hebben vermoord is momenteel nog niet duidelijk. Feit is dat deze man die koste wat het koste bij ‘zijn’ mensen wilde blijven en hun erbarmelijk lot wereldkundig wilde blijven maken. Hij kon op een gegeven moment de stad ontvluchten maar hij wilde het niet.

‘Voor een christen is het kruis nooit veraf; soms is het akelig dichtbij’ zei één van de Nederlandse ordebroeders van pater Van der Lugt als reactie op het nieuws van de moord op zijn medebroeder. Deze reactie deed mij wel wat. Want juist in deze Veertigdagentijd doet me deze moord denken aan die andere moord, dik tweeduizend jaar geleden gepleegd. In het christendom denken we daar juist nu speciaal aan: de moord op Jezus Christus, die voor ons aan het kruis ging. Vermoord, door ons. Ook Hij wilde niet weg bij de mensen die Hem wel weg konden kijken. Hij bleef contact zoeken met zijn Vader om onze ellende steeds voor zijn troon te leggen. Hij bleef ons trouw, maar wij Hem niet.

In paradisum deducant te angeli

Pater Frans van der Lugt:
In paradisum deducant te angeli;
in tuo adventu suscipiant te martyres
et perducant te in civitatem sanctam Jerusalem.
Chorus angelorum te suscipiat
et cum Lazaro, quondam paupere,
aeternam habeas requiem.

Kortgeleden heeft de Wageningen Universiteit besloten om religieuze en politieke uitspraken te verbieden in proefschriften, dit met onder anderen het argument dat wetenschap en religie gescheiden werelden moeten zijn. Een promovendus werd daarom verstaan gegeven dat hij zijn dankwoord moest aanpassen waarin hij God bedankte voor Zijn steun tijdens het schrijven van zijn dissertatie. Verwijderde hij God niet uit zijn proefschrift dan zou het proefschrift geweigerd worden en kon de beste man niet promoveren.

De afgelopen jaren slaat de secularisatie, de ontkerkelijking in Nederland hard toe, maar mijns inziens slaat zij ook een beetje door. de kerk wordt geslooptJe mag tegenwoordig elke overtuiging zijn toegedaan en die ook in je ‘normale’ dagelijks leven ten toon spreiden en daarmee en daardoor functioneren als mens in de maatschappij, maar o wee als dat een religieuze overtuiging betreft. Laat die maar achter de voordeur in je eigen huis. Daar dien je andere mensen niet mee lastig te vallen. Je zou ze eens kunnen infecteren met je geloof. En hoewel 60 procent van de Nederlanders zegt religieus te zijn en wel eens te bidden vindt de goegemeente dat dit een zuivere privékwestie moet zijn en blijven. Communist, socialist, liberaal enzovoort is oké. Vanuit die mening mag je in de samenleving opereren en je keuzes maken en ook in de wetenschap acteren, maar een religieuze overtuiging is de enige overtuiging die verdacht wordt van ongewenste zendingsdrang.

Nederland van God los? Ammehoela; als je echt van God los bent, dan interesseert je het ook geen snars meer wanneer en hoe anderen die wel religieus zijn  dit uitdragen.