Vandaag het tweede deel over het thema solidariteit. Het eerste deel verscheen op 2 oktober jl.

In dit tweede deel wil ik meer aandacht besteden aan dit thema vanuit de christelijke ethiek. Zonder twijfel is één van de kernbegrippen binnen het christendom naastenliefde. Dit geeft meteen aan hoe een mens vanuit de christelijke optiek in het leven zou moeten staan: karakteristiek voor een christelijke basishouding is het omzien naar de ander, zeg maar leven vanuit een gemeenschapsbesef. Bijbel en LichtDit gemeenschapsbesef zie je duidelijk vormgegeven worden in de kerkelijke gemeenschap: de gemeente van Christus is een gemeenschap waarin je wordt opgenomen; die gemeenschap was er al voordat jij er was en heeft ook een zeker gezag over jou. Natuurlijk is er ook sprake van interactie, want het behoren bij een gemeente is ook een innerlijke keuze. Maar niet in de sfeer van: ik kies. Eerder: jij wordt gekozen. En je bent deel van een gemeenschap. Dit gemeenschapsbesef is zodoende kenmerkend voor een christelijke visie op de samenleving.

In het huidige economische klimaat is lijkt gemeenschapsbesef steeds meer op het tweede plan gekomen, mede door de sterk individualiserende samenleving. Eén van de taken van de overheid is het stimuleren van de economie. Tegenwoordig zie je dat zich dat uit door het stimuleren van felle concurrentie, ook op gebieden die van oudsher sterke overheidsregulering kende. Hierbij valt te denken aan zorginstellingen voor verstandelijk gehandicapten. Het stimuleren van die concurrentie kennen we ook onder de naam ‘marktwerking’. Hierdoor wordt een situatie gecreëerd waarin geld een allesbeslissende rol kan gaan spelen. De motivatie voor iets als maatschappelijk verantwoord ondernemen neemt dan af.

Ik denk dat ik niet in raadselen spreek als ik schrijf dat we een soortgelijke beweging nu zien in de zorg, waardoor mensen die niet in bepaalde hokjes kunnen worden ingedeeld buiten de boot vallen óf dat groepen mensen hun eigen zorg moeten organiseren óf dat een instelling de te geven zorg te complex of te duur vindt.

Vanuit christelijk ethisch perspectief kun je wijzen op de het gemeenschapsbesef. Mensen staan niet alleen in deze wereld, ze worden aan elkaar gegeven. Door allerlei sociale verbanden staan ze in contact met elkaar. We leven in een maatschappij met elkaar en we dienen ons tot elkaar verhouden. We kunnen niet doen alsof de ander niet bestaat en het zelf maar moet oplossen. Wanneer we dat doen betekent dat het dat de hele structuur van onze samenleving wordt aangetast. In het licht van het sociale verband waarin we met elkaar leven is een verdeling van bestaansmogelijkheden pas ‘recht’ te noemen, wanneer een optimale participatie in die bestaansmogelijkheden voor de hele gemeenschap gerealiseerd is. IJkpunten voor deze ‘rechte’ verdeling zijn degenen die met betrekking tot deze participatie de meest kwetsbare positie innemen in de gemeenschap. Komen dezen iets tekort dan is de gemeenschap en daarmee de gerechtigheid geschonden.

Mijns inziens is passieve solidariteit, namelijk het door belastingmaatregelen veiligstellen van optimale zorg, juist een notie die vanuit de christelijke ethiek naar voren komt. Wij leven in een gemeenschap en dienen zorg voor elkaar te dragen!

De bovenstaande zin is de slogan van de postbus 51 campagne over anti-discriminatie. Nederland is een land waar niemand zijn eigen ik hoeft te verstoppen. zo wil ons deze campagne doen geloven: Het is een plek waar niet geoordeeld wordt over bijvoorbeeld huidskleur, handicap, leeftijd of seksuele voorkeur. Iedereen moet zichzelf kunnen zijn en zich thuis kunnen voelen.

Dit staat volgens mij haaks op het volgende bericht

De uitval van studenten met een lichamelijke en/of geestelijke beperking die een opleiding volgen in het hoger beroepsonderwijs (hbo), is twee keer zo hoog als bij studenten met een handicap op de universiteit. Ook blijken de studenten met een beperking in het hbo vaker hun opleiding voortijdig af te breken dan hbo’ers zonder handicap. Terwijl dit verschil niet te zien is in het wetenschappelijk onderwijs. Daarmee kunnen hbo-studenten met een handicap gezien worden als een „risicogroep”.

Mijns inziens ligt het probleem bij het feit dat onze samenleving is geconstrueerd op de idee van het sociaal contract. In het sociaalcontractenken wordt geprobeerd onze huidige maatschappelijke samenleving te verklaren vanuit de fictie dat mensen ooit zonder regels en in onbeperkte vrijheid (in een soort natuurtoestand) leefden, maar om uiteenlopende redenen (maar altijd uit eigenbelang) een contract met elkaar hebben gesloten.  Volgens het sociaal contract gaat het bij het afsluiten van een contract om partijen die relatief gelijk zijn in capaciteiten zoals intelligentie en lichaamskracht, dat wil zeggen dat ze een min of meer gelijke onderhandelingspositie hebben. In ieder geval zijn ze allemaal in staat om productieve arbeid te verrichten. Door deze aanname, denk ik, dat mensen met een beperking buiten de orde van rechtvaardigheid plaatst, of in ieder geval ‘marginaliseert’. Daarbij beschouwen de contractdenkers de contractanten niet alleen als subjecten van het contract, maar ook als enige ‘objecten van rechtvaardigheid’. Rechtvaardigheid is enkel verschuldigd aan hen die rechtvaardigheid kunnen betrachten. Een filosofe die zich hiermee heeft beziggehouden is de Amerikaanse Martha Craven Nussbaum.  Zij  is een toonaangevende en productieve filosofe. Zij werkt als hoogleraar recht en ethiek aan de universiteit van Chicago en schreef de voorbije jaren een indrukwekkend aantal essays en boeken over de relatie tussen filosofie en literatuur, menselijke emoties, feminisme, sociale rechtvaardigheid en wereldburgerschap. Het ethisch karakter van een samenleving kan volgens Nussbaum afgelezen worden aan de inspanningen die men zich getroost om ook voor diegenen die het fysiek of mentaal moeilijker hebben al deze ontwikkelingsmogelijkheden te waarborgen. Een aantal beperkingen zijn natuurlijk wel in de idee van het sociaal contract meegenomen. Contractanten kennen allemaal de frequent voorkomende klachten als rugpijn. Blindheid of doofheid zijn minder frequent voorkomende klachten de samenleving wordt ingericht door de mensen die alleen rekening houden met de meer frequent voorkomende klachten. de rolstoelHet is echter vreemd dat de contractanten zich dan wel de wetenschap toedichten dat hun fysieke vermogens binnen het zogenaamde ‘normale’ bereik vallen. Nussbaum schrijft dan dat de omgeving aangepast was aan mensen met een ‘normale’ handicap. Geluid kan worden gehoord door mensenoren en niet alleen voor hondenoren, bijvoorbeeld. De samenleving houdt geen rekening met mensen met atypische beperkingen. Er wordt soms geen rekening gehouden met de protheses van mensen met beperkingen. ‘Normale’ mensen kunnen ook gebruik maken protheses, die heten dan bus of auto. Voor mensen die afhankelijk zijn van anderen is er geen plaats in de basisstructuur van de samenleving. Globale gelijkheid als structureel kenmerk, en wederkerig voordeel als het beoogde doel, bepalen nog steeds wie er oorspronkelijk participeren en wat elke betrokkene uit de samenwerking probeert te halen.  In het sociaal contractdenken vigeert de de aanname dat burgers over ‘normale capaciteiten’ moeten beschikken om in ieder geval productieve arbeid te kunnen verrichten. Er is geen plaats voor atypische maatschappelijke voorzieningen die mensen met een beperking in staat kunnen stellen zo goed mogelijk te participeren. Want vervolgens moet niemand opdraaien voor de kosten die voortvloeien uit de aanpassingen die gedaan moeten worden voor speciale voorzieningen. Vooral deze laatste toevoeging maakt  het interessant om over mensen met een beperking na te denken in de huidige context. Mensen worden steeds ouder en zullen op een bepaalde leeftijd moeten gaan leven met beperkingen die inherent zijn aan het ouder worden. Als we het sociaal contractdenken nu extreem doorvoeren zou dit betekenen dat deze mensen die tijdelijk met een beperking leven, niet meer meetellen in de samenleving van ‘normale’ mensen. Deze theorie schaart mensen met een levenslange beperking en zij die met een tijdelijke beperking onder dezelfde noemer: het zijn beide personen die niet meetellen in de ‘normale’ samenleving. Zeker in de huidige context waarin mensen een steeds hogere leeftijd bereiken, met alle tijdelijke beperkingen vandien, is een ‘herwaardering’ van de sociaal contracttheorie op zijn plaats.

Dat de uitval van hbo-ers met een beperking momenteel zo hoog is, heeft volgens mij ook te maken met dit denken waar onze samenleving op gebaseerd is. Aanpassingen zijn er voor de beperkingen van ‘normale’ mensen. Maar mensen met een atypische beperking zullen door ‘stroperige’ instanties die bepaalde voorzieningen zouden moeten faciliteren en door het feit dat onze samenleving niet ingericht is op mensen met atypische beperkingen niet snel op een volwaardige wijze kunnen deelnemen aan de samenleving!

Discrimen est non… oftewel, er is geen onderscheid

Het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK), de Rijksvoorlichtingsdienst en Art.1 zijn deze zomer begonnen met een nieuwe campagne met de titel Moet je je eigen ik verstoppen om geaccepteerd te worden? visual-overdiscriminatie2Vanuit de overtuiging dat iedereen in Nederland gelijk moet worden behandeld is er weer aandacht voor discriminatie. Want Nederland is een land waar niemand zijn eigen ik hoeft te verstoppen. Het is een plek waar niet geoordeeld wordt over bijvoorbeeld huidskleur, handicap, leeftijd of seksuele voorkeur. Iedereen moet zichzelf kunnen zijn en zich thuis kunnen voelen. Het moet mij van het hart dat ik rondom zo’n campagne altijd wat mixed feelings heb. Natuurlijk is het lovenswaardig dat de overheid aandacht besteedt aan discriminatie en dat ook discriminatie op grond van handicap een plaats heeft gekregen in deze campagne. Maar ik vraag mij af wat de feitelijke opbrengst is van zo’n campagne.

in dit blog wil ik mij beperken tot discriminatie op grond van handicap. Dit heeft een aantal oorzaken: vaak wordt in campagnes die zich met het issue ‘anti-discriminatie’ bezighouden niet of nauwelijks aandacht besteedt aan discriminatie op grond van handicap (vilein schrijf ik meteen dat ook in deze campagne deze groep weinig aandacht krijgt en dat ze op de site discriminatie.nl niet wordt gevisualiseerd), en tevens heb ik aan deze groep ook veel aandacht gegeven in mijn afstudeerscriptie.

Nogmaals de vraag: wat is de feitelijke opbrengst van zo’n campagne? Zal de scheidslijn tussen de mensen mét en mensen zonder beperkingen kunnen worden geslecht? In mijn scriptie heb ik proberen aan te tonen dat dit feitelijk momenteel geen realiteit is. Aan de hand van de theorien van John Rawls en die van Martha Nussbaum stel ik dat van acceptatie van mensen met een beperking in de samenleving maar in geringe mate sprake is. Dit heeft alles te maken met de algemene idee dat in de intermenselijke relaties er een sprake moet zijn van do ut des (ik geef opdat jij iets geeft). Zelfs Rawls pleegt deze steling in zijn befaamde theorie van rechtvaardigheid een plaats te geven, maar ook de filosofe Martha Nussbaum kan hier in capabilities approch niet echt aan ontkomen.

Volgens mij is het een nobel streven van de overheid om de maatschappij op deze scheidslijnen te wijzen, maar ik vraag het me werkelijk af of men over het algemeen genomen het do ut des wat in de maatschappij als het allerbelangrijkste wordt gezien kan uitschakelen.

Discrimen est non?