Oké, misschien is het komkommertijd maar het blijven toch altijd weer leuke onderzoeken die gedaan worden in de zomer. Neem nou dit onderzoek: Nederlandse christenen sparen meer en beleggen minder risicovol dan niet-christenen. Dat blijkt uit een onderzoek van twee economen van de Universiteit van Tilburg.Ook vinden zij het belangrijker om geld na te laten aan hun kinderen. In het onderzoek ‘Where angels fear to trade: The role of religion in household finance’ stellen Luc Renneboog en Christophe Spaenjers dat religieuze huishoudens meer geld opzij zetten dan niet-religieuze huishoudens.

Het enige wat je kunt met dit soort onderzoeken is er een beetje over doormijmeren. Want laten we eerlijk zijn: wat is er verder de relevantie van…

Wat me eigenlijk altijd weer verbaasd is dat christenen het altijd lukt om zoveel geld over te houden: meestal hebben grotere huishoudens en geven ze meer geld uit aan goede doelen (en dat is nog exclusief het geld dat ze kwijt zijn aan hun eigen geloofsgemeenschap).  spaarvarkenEn het geld wat ze dan overhouden zetten ze weg op een spaarrekening of beleggen ze.

Protestanten en mensen van evangelische kerken hebben meer gevoel van financiële verantwoordelijkheid. zo besluit het artikel. Ik vraag me af of dit te maken heeft met het ouderwetse weberiaanse idee dat de protestant een arbeidsethos heeft van hard werken en sober leven, het voorportaal van het kapitalisme? Immers, zo stelde Max Weber voor een protestant kon het kapitalisme niet alleen een uitwendig gebeuren zijn, maar moest het ook bezield zijn door een bepaalde ‘geest’. Deze ‘kapitalistische geest’ uitte zich in de levensstijl van individuen, zoals hard werken, een door blijven werken ook als men voor het levensonderhoud al genoeg had, een niet verspillen van tijd, een continu streven naar gewin, sparen van geld in plaats van uitgeven (sober leven en een uitgestelde behoeftenbevrediging) (hierdoor waren nieuwe investeringen mogelijk) en een positieve waardering van welvaart. In landen waar wel de materiële voorwaarden voor het kapitalisme aanwezig waren, maar deze geest ontbrak, zette het kapitalisme zich niet door. Nodig was een religieus gevoed ethos dat mensen krachtig motiveerde tot dat nieuwe, het traditionalisme doorbrekende, handelen. Weber wilde aantonen dat het calvinisme en in bijzonder het engelse puritanisme de weg baanden voor deze kapitalistische geest. Het calvinisme zag de mens namelijk als rentmeester van God die de wereld zo goed mogelijk moest beheren voor Zijn eer (en niet ter eigen nutte). Deze roeping gold een ieder en niet alleen zoals in de Middeleeuwen voor de monniken. De calvinisten droegen de gedisciplineerde levensstijl de wereld in: ‘innerweltliche Askese’. En hoort daar dan ook sparen bij als het hebben van een appeltje voor de dorst?

Maar je kunt het bericht ook negatief uitleggen: christenen potten juist meer hun geld, zijn toch gericht op het hier en nu, terwijl ze juist goed zouden kunnen weten dat het niet alleen draait om het heden.

Zou een christen niet moeten streven naar een economie die in sociaal en ecologisch opzicht duurzaam is, dat wil zeggen niet het milieu vernietigt en niet leidt tot sociale uitsluiting, armoede en vergroting van sociale ongelijkheid. Specifieke aandacht behoeft de verhouding tussen armoedebestrijding en milieu. Om armoede te bestrijden is economische groei noodzakelijk, die onvermijdelijk beslag legt op milieu en schaarse hulpbronnen. Met tegengaan van verspilling en technologie zijn schadelijke gevolgen van deze groei en van de consumptie van middenklassen en rijken in te perken, maar dat zal niet voldoende zijn. Onvermijdelijk is dan ook als men verdere milieuvernietiging wil tegengaan dat middenklassen en rijken een consumptiepatroon ontwikkelen dat minder een beslag legt op het milieu. Dat betekent anders en minder consumeren.  Kortom, die ouderwetse terminologie van rentmeesterschap. En dat kost een paar centen…
Christenen sparen meer…

Is dat een deugd, een goed teken voor een christen dat hij zoveel geld overhoudt voor de spaarrekening?

Advertenties

De invloed van reformator Johannes Calvijn op de Nederlandse volksaard wordt steeds minder, ook onder zijn laatste aanhangers, de protestanten. Dat blijkt uit het onderzoeksrapport Religie aan het begin van de 21ste eeuw van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS). ‘De calvinistische leefstijl van sober leven en hard werken is vijfhonderd jaar na de geboorte van Calvijn nog maar in beperkte mate een onderscheidend kenmerk van protestanten , aldus het CBS. Ze zijn weliswaar minder zware rokers en drinkers dan katholieken en mensen zonder kerkelijke gezindte, maar ook onder protestanten daalt het kerkbezoek. ‘ slopen kerkHet heeft er mede toe bijgedragen dat calvinistische leefstijlen verder zijn verwaterd.’ meldde het Nederlands Dagblad vanochtend. (Aanvullende berichtgeving van het CBS meldde dat het kerkbezoek onder protestanten eigenlijk nauwelijks afneemt, dat in tegenstelling tot rooms-katholieken en bezoekers van de moskee.)

Uiteindelijk was dit geen verrassend nieuws. Als ik al simpel kijk in mijn eigen woonplaats waar in de afgelopen jaren al ettelijke kerkgebouwen hun deuren hebben moeten sluiten en in de komende jaren nog een aantal zal volgen kan ik alleen maar constateren dat het kerkbezoek daalt, of dat er in ieder geval minder inkomsten binnen komen. En natuurlijk, de calvinistische leefstijl die juist in de kerkdiensten de mensen wordt ingeprent zal dientengevolge ook minder in leven wordt gehouden. Misschien schrijf ik een onwelkome boodschap: in hoeverre ‘oogstten we niet wat we ooit gezaaid hebben’? Was onze boodschap voor de samenleving en voor de mensen binnen de kerk in het verleden altijd wel duidelijk? Joegen wij de mensen misschien niet de kerk uit door te ‘algemeen vrome praatjes’ die mensen ook buiten de kerk kunnen verkrijgen? Waarin wilden wij ons nog onderscheiden van de mensen om ons heen? Wilden wij nog uitkomen waar we voor staan? Zeiden we nog waar het op aankomt? Waren we écht nog anders dan anderen?

Natuurlijk, ik kan me in slaap laten sussen door een auteur als Dinesh d’Souza die in zijn boek Het christendom is zo gek nog niet mij vertelt dat hoewel het christendom in West-Europa krimpt, het in andere werelddelen juist een groei doormaakt, en dat het christendom zo’n beetje een elke ontwikkeling in het Westen aan de wieg heeft gestaan. En natuurlijk, je hoort tegenwoordig op geluiden dat sowieso allerlei georganiseerde verenigingsactiviteiten niet veel mensen meer kunnen trekken. En het is toch zo dat, hoewel mensen minder de kerk bezoeken, er duidelijk steeds meer belangstelling komt voor allerlei vormen van spiritualiteit. (Misschien is dit wat de filosoof Charles Taylor bedoelt met the immanent frame we al share)

Ik gebruikte bewust de woorden ‘ me in slaap laten sussen door’. Want ik denk dat als we ons door deze feiten laten leiden dan kunnen we in feite het christendom in het Westen vaarwel zeggen. Wat we dan krijgen is een soort multi religieus containergeloof waar een ieder het zijne of het hare naar eigen gelang uit kan halen. zoutIk ben ervan overtuigd dat het christendom in het Westen nog steeds een zeggingskracht heeft voor de hele maatschappij, dat uitdagend kan zijn, prikkelend, dat aantrekkingskracht heeft, maar bovenal maatschappijkritisch dient te zijn. Dat is ook wat ik heb proberen duidelijk te maken in mijn post over Calvijn en het calvinisme. Ik denk dat we ons niet hoeven neer te leggen bij de geest van de tijd. Misschien worden we marginaal, maar dat betekent niet dat we ons niet hoeven te onderscheiden. Laten we eerlijk zijn, het christendom is zo ook begonnen, als een kleine splintergroepering die door wat zij deed verbazing, soms zelfs afkeuring oogstte. En ja, wanneer dan de traditionele kerken moeten worden hervormd, misschien opnieuw uitgevonden, het zij zo. Wat 0p de eerste plaats moet staan is dat de kerk, de christenen, een zoutend zout moeten zijn dat reinigt, misschien zelfs soms bijt, maar een boodschap heeft die uniek is! En dat is meer dan een soort algemeen spiritueel gevoel.

In het kader van het Calvijnjaar 2009 dan ook een post van mij over Johannes Calvijn.

(Noyon, 10 juli 1509 — Genève, 27 mei 1564)

(Noyon, 10 juli 1509 — Genève, 27 mei 1564)

Waar andere artikelen al heel veel andere en achtergrondinformatie over Jehan Cauvin (want zo heet hij natuurlijk eigenlijk) hebben gegeven en ook verschillende andere kanten van Calvijn hebben belicht, wil ik mij graag beperken en richten op de ethische kant van Calvijn. Je bent ten slotte ethicus of je bent het niet.

‘Calvinism was an active and radical force. It was a creed which sought, not merely to purify the individual, but to reconstruct Church and State, and to renew society by penetrating every department of life, public as well as private, with the influence of religion’ schreef Tawney in 1926. In zijn tijd nam Calvijn zelf actief deel aan het verbeteren van de kwaliteit van leven van de zogenaamde minder geprivilegieerde bevolkingsgroepen omdat volgens Calvijn geestelijke en politieke waarheid onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn. Volgens Calvijn moeten christenen altijd storende elementen zijn in hun samenleving omdat zij zich verzetten tegen elke vorm van onrechtvaardigheid. Dat was de reden waarom Calvijn zo hartstochtelijk sprak over armoede en rijkdom, rente en arbeidsloon. De eigen activiteiten die Calvijn in zijn tijd ontplooide op het gebied van sociale hervorming geven duidelijk een voorbeeld van het feit hoe anders zijn inzichten over sociale kwesties waren dan de gangbare mening. Calvijn was namelijk niet geïnteresseerd in conservatieve restauratie, maar hield zich bezig met het plaatsen van alle gegevens onder de norm van het Woord van God. Natuurlijk was hij ook een kind van zijn tijd en daarom was het voor hem onmogelijk recht te doen aan veel aspecten van de sociale ethiek die pas veel later aan de orde kwamen. Zijn uitgangspunt schiep echter ruimte voor een benadering waarin het sociale aspect niet is beperkt tot het individu en waarin de bestaande orde en sociale en politieke structuren en de publieke instituties niet zomaar worden geaccepteerd als een gegeven met eeuwigheidswaarde. De Heilige Schrift is voor Calvijn ook de uiteindelijke norm voor het scheppen van humaan leven in de samenleving. BijbelDus: natuurrecht (dit begrip staat hier voor de regels en beginselen die voor alle mensen gelden, omdat ze voortvloeien uit het verstand, zoals dat bepalend is voor de menselijke natuur)  is zeer zeker belangrijk voor burgerlijke rechtvaardigheid en de publieke orde, maar uiteindelijk zullen al onze sociale instituties moeten vallen onder de kritiek van Gods Woord. Calvijns ethos sprak uit zijn uiteenzetting over het leven van een christen. Dit is het hart van de ethiek van Calvijn. Zijn verstaan van het leven van een christen berust op de kennis dat wij niet aan onszelf toebehoren, maar aan God door Jezus Christus.Wij zijn niet van onszelf, hierop gebaseerd ontwikkelde Calvijn zijn ‘ethiek’ als volgt. Aangezien wij bij God behoren, worden we opgeroepen te zoeken naar rechtvaardigheid en gerechtigheid in onze relaties met anderen en met God. Dat is het hart van het leven van een christen. God toebehoren in Jezus Christus betekent ook dat we elkaar toebehoren. Je zou dit kunnen omschrijven als een wereldtransformerend christendom waarin rechtvaardigheid en vrede elkaar omarmen of sociaal humanisme. De World Alliance of Reformed Churches (dat is een christelijke organisatie met meer dan 200 kerken) zou de economische en sociale getuigenis van Calvijn met betrekking tot het huidige leven van een christen omschrijven als een kritische uitdaging voor onze huidige economische politiek en praktijk.

Het standaardbeeld dat we van Calvijn hebben is er een van gebod, verplichting, verantwoordelijkheid en de oproep tot gehoorzaamheid. Maar de zorg voor rechtvaardigheid vanaf haar begin; de zoektocht naar sterkere vormen van gemeenschapszin en solidariteit in onze huidige wereld; de overtuiging van het belang van menselijke waardigheid en mensenrechten; ondersteuning bieden aan de worsteling tegen racisme, uitsluiting en onrechtvaardigheid. Dat zijn nu juist de connotaties die het denken van Calvijn stempelen, en die ook belangrijke kenmerken (dienen te) zijn van de hedendaagse calvinisten. Calvinisme wil mensen krachtig motiveren tot nieuw, het traditionalisme doorbrekende, handelen. Het calvinisme ziet de mens namelijk als rentmeester van God die de wereld zo goed mogelijk moest beheren voor Zijn eer (en niet ter eigen nutte). Calvijn legt zo de vinger op de zere plek van het egoïsme egoisten zelfverrijking. Zijn waarschuwing tegen ‘overtollige overvloed’ (of zoals adagium van Mahatma Gandhi luidde: ‘Er is genoeg voor ieders behoefte, maar niet voor ieders begeerte.’) en oproep tot ‘onthouding, soberheid, matigheid en ingetogenheid’ klinken ouderwets en wereldvreemd in de oren en zijn dan ook volstrekt niet wervend, maar bevatten een diepere waarheid: overmaat belet het genieten, omdat men de waarde van de dingen niet meer kent. Goede relaties, een democratische samenleving, bestaanszekerheid, veiligheid en een zinvol bestaan blijken dan veel belangrijker dan egoïsme en ongelimiteerde zelfverrijking.

Calvinisme achterhaald? Nee dus!

Dus ten bate van een ieder: Lang leve Johannes Calvijn!!