houd vol houd vast

naar aanleiding van Klaagliederen 3

‘Wij leven nog.’ Dat zeggen mensen, die een ernstig ongeluk of een coronabesmetting hebben overleefd.
‘Wij leven nog. God zij dank.’ In zulke woorden klinkt dankbaarheid door. En verwondering.
Het had immers heel anders kunnen aflopen.
‘Wij leven nog.’ Dat kunnen we allemaal zeggen, als we het breder trekken.
De wereld bestaat ook nog. Als je het programma ‘Frontberichten’ op de publieke omroep af en toe ziet, dan weet je dat dit bepaald niet vanzelfsprekend is.

Wij leven nog. ‘Zolang er leven is, is er hoop,’ zeggen we.
Voor gelovige kinderen van God dus altijd, dagelijks.
Want zij hebben een belofte van eeuwig leven door Jezus Christus.
In dit gedeelte van Klaagliederen worden we door de HEER meegenomen naar de fundamenten van ons bestaan. Naar de vaste grond onder ons leven, zelfs als we in nood zijn. Daarbij staat de hoop centraal. Hoe komt het, dat wij nog leven? Hopen op de HEER, dat willen we blijven leren. Want er is ondanks alles reden voor verwondering en dankbaarheid jegens de Heer.

In de eerste hoofdstukken van Klaagliederen wordt het lijden van de bevolking van Jeruzalem uitvoerig beschreven. Het lijden van de gemeenschap.
In hoofdstuk 3 vinden we de worsteling van de gelovige met het lijden.
De dichter van dit derde klaaglied maakt zich tot tolk van die gelovigen in Israël in de nood van de ballingschap. Hij ondervindt lijfelijk hoe de hand van de HEER zich tegen hem keert. Hij zegt:
‘Ik ben de mens die te lijden heeft onder de stok van zijn toorn.
Hij leidt mij en voert mij – in een lichtloos duister.
Tegen mij heft hij zijn hand op, steeds opnieuw, dag na dag.’
Deze dichter is geen journalist, die met camera en microfoon de ellende van anderen
verslaat, zonder lijfelijke betrokkenheid. Ellende zien is voor hem ellende meemaken,
ervaren aan den lijve. Gods hand heeft zich tegen hem gekeerd.
Hoe verschrikkelijk erg dat is, werkt hij uit in de verzen 4-18. Moet je eens lezen en
tot je laten doordringen wat hij van de HEER zegt:
‘Als een beer loert hij op mij, als een leeuw in het verborgene.
Hij dringt me opzij, hij verscheurt me en verwoest mijn leven.
Hij spant zijn boog en kiest mij als doelwit voor zijn pijlen.’
Deze man gaat er bijna onderdoor.Die ervaring, die schreeuwende ellende.
Hij is zijn geluk kwijt, is vergeten wat geluk is.
Hij is zo ongeveer de wanhoop ten prooi.
‘Steeds denk ik: Verdwenen is mijn glans, vervlogen mijn hoop op de HEER.’
Dat is het dieptepunt. De hopeloosheid. Maar het is niet het laatste woord.
Maar er volgt in zijn denken en in zijn lied een omslag in vers 19-21.
Want hij gaat aan de HEER denken en hoe Hij werkelijk is.
Dat de HEER een God is die toornt, maar ook een God van ontferming,
van liefde en van trouw.

En als hij dat weer beseft en zich daarop richt, dan weet hij:
‘Er is hoop!’
Wat doet hem dan hopen op de HEER? Wat wil hij zich te binnen brengen en er hoop
en troost aan ontlenen? Dit:
‘Genadig is de HEER: wij zijn nog in leven! Zijn ontferming kent geen grenzen.’
Wij zijn niet omgekomen, dringt ineens tot hem door. Wij zijn nog in leven. Ik kan zelfs een klaaglied dichten en zingen en de HEER aanspreken en de nood van mij en mijn volk klagen.
Het lijden heeft niet het laatste woord. Juist door je nood te klagen en je lijden te beleven voor het aangezicht van God ontstaat er nieuwe hoop. Vers 21 zegt: Toch geef ik de hoop niet op, want hieraan houd ik vast.
Op de bodem van zijn hart weet de gelovige dat God het goede verlangt voor de mensen (vers 33). Dat is het diepste van zijn wezen. Slechts met tegenzin brengt Hij leed en rampspoed over de mensen. Het is niet naar zijn hart. Naar zijn aard is Gods hart vol vriendelijkheid en goedheid. Het gaat Hem aan het hart als Hij de dingen recht moet zetten door het oordeel.

Deze taal van de hoop staat niet los van de taal van het lijden in het eerste gedeelte. Maar juist het uitspreken van de nood en het lijden en de zonde voor het aangezicht van God brengt tot het inzicht van vers 24: Ik besef: mijn enige bezit is de Heer, al mijn hoop is op Hem gevestigd.
Wij hebben de taal van het klaaglied, in het boek Klaagliederen en in de Psalmen, nodig om door ons lijden heen en via de taal van de klacht terug te kruipen naar onze hoop op God. Wij hebben in de kerk niet alleen een theologie van de gloria nodig maar ook een theologie van de hoop, niet alleen aanbiddingsliederen maar ook klaagliederen.

Soms kan je leven uitzichtloos lijken. Lichtloos duister (vers 2). Je voelt je verstoken van vrede en geluk (17). De glans verdwenen, de hoop op God vervlogen (18). Weet dan één ding: God is niet afwezig in het lijden. Gegronde hoop dus in Christus alleen. Dat stelt niet teleur. Want deze hoop slaat het anker uit omhoog in de vaste bodem van Gods beloften. Daarom zal ik op Hem hopen. Morgen is Gods ontferming weer nieuw, net als gisteren. En overmorgen. Hopen op de HEER heeft dagelijks zin. Voor zijn aangezicht mogen wij onze nood uitspreken. Om daardoor weet moed te vatten en met de dichter van Klaagliederen te zeggen:

Toch geef ik de hoop niet op!