In het kader van de Maand van de Spiritualiteit 2014 schreef Arie Boomsma een essay met de titel ‘Troost’. in pakweg zestig bladzijden neemt Boomsma ons mee in zijn mijmeringen over zijn omgaan met het begrip troost. Wij mogen hem vergezellen op zijn zoektocht naar ‘troost’ in zijn eigen levensgeschiedenis. Hij begint en eindigt zijn essay met het schetsen van het beeld dat wanneer hij als kleuter is gevallen op het schoolplein en daar een hoofdwond oploopt, dat hij dan uiteindelijk troost vindt in de armen van zijn moeder. Boomsma TroostTroost is volgens hem afhankelijk zijn van de nabijheid van een ander. Nadat Boomsma in zijn essay verscheidene episodes uit zijn leven met ons heeft gedeeld waarin hij troost ervaart komt hij ten langste leste aan bij het onderwerp ‘troost vinden in het geloof’. Stoer zegt hij eerst dat hij ‘geloof dat troost biedt’ bij anderen wel ziet, maar dat hij het zelf niet begrijpt. Toch getuigd Boomsma van een dieper inzicht in troost als hij hij verteld dat bidden hem een soort van troost kan geven. Hij kan als zijn sores leggen aan de voeten van God, Als een vertrouwelijk gesprek met een vriend die een en al oor is voor wat je verteld over de zaken die je bezighouden. Aan het eind van het essay vergelijkt Boomsma de troost die hij bij God vindt met de troost die hij als kind bij zijn ouders vond. ‘Bij hen was ik veilig,zij beschermden mij tegen de buitenwereld, begrepen alles, wisten onnoemelijk veel en namen mijn pijn weg als het nodig was’ schrijft Boomsma dan. Tegelijkertijd schrikt het hem als moderne autonome mens af, die afhankelijk. Het staat haaks op wie hij is en hoe hij is.

Toch komt Boomsma aan het eind van dit kwetsbare essay tot de conclusie: aan alle troost die ik nu ervaar ligt die afhankelijkheid ten grondslag van de troostende armen van zijn moeder. Toen stopte het huilen en verdween de pijn.

Advertenties