november 2013


‘Hoe kan het zijn dat het geen nieuws is als er een dakloze oudere overlijdt, maar wel als de beurzen twee punten verliezen?’; met deze prikkelende uitspraak vestigt paus Franciscus de aandacht op wat hij noemt ‘de nieuwe tirannie van het ongebreidelde kapitalisme’. Is dit nieuw? Nee, de paus schaart zich in een lange rij van mensen en organisaties die deze problematiek aan de kaak stellen. Goedkope uitspraak; als je weet dat de (katholieke) kerk een uitermate rijk instituut is? Zo kun je elke oproep tot bezinning wel ‘kalt stellen’, maar ik vond het opmerkelijk dat de paus na deze oproep meteen liet collecteren voor hulp aan de door een natuurramp getroffen Filipijnen. En daarbij: met de wijzende vinger naar anderen wijst hij ook met drie vingers terug naar zich zelf.

Opmerkelijk vond ik ook dat de oproep werd gedaan tijdens een toespraak (een ‘Pauselijke Exhortatie’ oftewel een Pauselijke Aansporing) die de titel heeft ‘De vreugde van het evangelie’. ‘Iedere gedoopte is geroepen tot verkondiging van het Evangelie’ zo zegt de paus vervolgens. Iedere christen wordt dus opgeroepen om zich teweer te stellen tegen de tirannie van het ongebreidelde kapitalisme, ‘Die Tyranny verdrijven, die my mijn hert doorwondt.’ om het zo maar te zeggen. Het gaat zeker niet zonder slag of stoot, het snijdt diep in je eigen vlees, het zal niet alleen maar vreugde zijn waarmee we dit evangelie verkondigen en in praktijk brengen, want hoe het ook zij, dat ‘ongebreidelde kapitalisme’ brengt ons veel goeds.

Is het dan een goedbedoelde, maar niet realistische oproep die natuurlijk nooit iets teweeg zal brengen omdat de hele wereld zichzelf heeft overgeleverd aan dat kapitalisme? Nee, ook dat denk ik niet. Eerste AdventAanstaande zondag is het 1 december, en naast dat ik – zo de Here wil –  word bevestigd en intrede doe aan en in de Protestantse Gemeente Exloërmond, vieren we ook  – vooral – de Eerste Adventszondag. Advent, als christenen kijken we vol verwachting uit naar de komst van de Here Jezus in deze wereld. Wij geloven dat Hij de redding en bevrijding verkondigt aan mensen vast verstrikt in het web van de tijd. Zijn komst is een voorbode van Gods toekomende Koninkrijk. Een vrederijk dat aanstaande is en waaraan wij als volgelingen van die Christus aan mee moeten werken. Daartoe worden we opgeroepen.

Advertenties

(Er is) een tijd om te huilen en een tijd om te lachen,
een tijd om rouw te bedrijven en een tijd om te huppelen (Prediker 3: 4)

Het christendom is geen ‘happy-clappygeloof’. Niet alleen maar leven met een eeuwige glimlach op je gezicht.
De hele Bijbel getuigd daarvan: mensen die door diepe dalen, woestijnen gaan en soms uiteindelijk blijdschap kunnen ervaren.

Blijdschap, vreugde omdat God ondanks alles met hen door alles heen meeging.
Prediker getuigd hier al van. Hij weet vanuit zij observatie van het leven van mensen dat er een tijd is om te huilen, om te rouwen.Tijden dat het leven tegenzit, dat alles je uit handen lijkt te zijn geslagen, dat… en vul het zelf maar in.Kruis

Maar Goddank mogen we ook ervaren dat er reden kan zijn voor blijdschap.
Soms in de kleine dingen die je pad kruisen waarmee God laat zien dat hij je niet vergeten is.
Een hand om een schouder, een bemoedigend woord of een opbeurende preek. Het kan van alles zijn.

Vreugde en rouw, blijdschap en bittere tranen; het zijn als het ware twee kanten van één medaille.
Voor alles is er een tijd, zonder het ene lijkt het andere niet te kunnen bestaan.
Vreugde en blijdschap echt goed kunnen verstaan lukt pas als je ook weet hebt van het tegenovergestelde:
de tranen om de gebrokenheid van het bestaan.

Vanavond kwamen ze weer langs: de kinderen die op 11 november, de naamdag van Sint Maarten, de huizen langsgaan om na het zingen van een lied wat snoepgoed of fruit in ontvangst te nemen. En zoals van veel van oorsprong christelijke feesten is ook van dit feest de diepere betekenis weggesleten. Het feest is vernoemd naar Martinus van ToursMartinus van Tours die in 316 geboren in Hongarije als zoon van een Romeins legerofficier. Op vijftienjarige leeftijd kwam hij in dienst van het Romeinse leger. Uit deze tijd stamt een van de meest bekende verhalen over Sint-Martinus. Voor de poorten van Amiens in Frankrijk kwam hij een verkleumde bedelaar tegen. Met zijn zwaard sneed hij zijn rode soldatenmantel in tweeën en gaf één helft aan de bedelaar. Deze scène is op talloze schilderijen afgebeeld, bijvoorbeeld door de schilders Rubens en Van Dijck. Nadat Martinus in 372 gekozen was tot bisschop van Tours kreeg hij een steeds grotere bekendheid. Hij stichtte in Frankrijk verschillende kloosters en stierf op hoge leeftijd in het jaar 397. Zo is het feest van Sint-Maarten vanouds een bedelfeest, en bedelfeesten waren nodig in de moeilijke wintermaanden. Gingen vroeger alle armen zowel jong als oud langs de deuren van – vooral – de rijkere medeburgers, tegenwoordig zijn het alleen kinderen die langskomen voor een traktatie. In oudere Sint-Maartenliedjes hoor je nog duidelijk terug dat het echt een bedelfeest is

Sinte Sinte Maarten
De kalv’ren dragen staarten,
De koeien dragen horens
De kerken dragen torens
Hier woont een rijke man
Die veel geven kan
Veel geven hoeft jij niet,
Al is het maar een suikerbiet!

Er werd naar elkaar gekeken voor hulp. Lange tijd was de zorg voor armen in ons land een kwestie van liefdadigheid. Maar in onze tijd wordt vaker naar de overheid gekeken als het gaat om de leniging van de eerste levensbehoeftes van de burger. Het wordt als een recht gezien dat mensen een bestaansminimum hebben.  Sinds de invoering van de Bijstandswet, in 1965 zijn sociale voorzieningen niet meer een gunst, maar een recht dat wordt uitgevoerd door de overheid.

Maar tegenwoordig schuift de overheid veel van haar teken weer terug naar de burgers. Zo komt de armoedeproblematiek ook weer op het bordje te liggen van de diverse kerkgenootschappen. Zij kunnen met betrekking tot hun taak in de samenleving zich ook laten leiden door de Bijbel: ‘Overigens zal niemand van u in armoede leven, want de HEER zal u zegenen in het land dat hij u in bezit zal geven.’ (Deut.15:4). Nee, dus niet vanuit de notie van liefdadigheid, maar vanuit recht, immers ‘niemand mag in uw midden in armoede leven’. Er wordt gerechtigheid gedaan omdat scheve verhoudingen worden rechtgezet, er wordt recht gedaan aan misdeelde mensen, opgericht wat terneergeslagen is. Gerechtigheid is één van de werkwoorden van een God die niet boven de partijen staat, maar die zeer partijdig is. Hij is het meest met de minsten. En hij meet de kwaliteit aan de mate waarop er gehandeld wordt met hen die onderop geraakt zijn.

Christenen – volgers van die God –  moeten daarom hun taak  zoeken in de samenleving. Vanuit het evangelie waardoor zij zich willen laten storen. De bron van waaruit ze proberen te handelen in de maatschappij. Op bescheiden maar besliste wijze mogen wij als gemeente, als gemeenschap in het geloof van Jezus Messias onze plek in de samenleving zoeken. In tastend handelen mogen wij de zoektocht naar het Koninkrijk van God en zijn gerechtigheid wagen. Het Koninkrijk waarin we als mensen van betekenis worden geacht niet om onze economische waarde maar om wie we voor Gods aangezicht mogen en zullen zijn.

Sinte Sinte Maarten
De kalv’ren dragen staarten,
De koeien dragen horens
De kerken dragen torens
Hier woont een rijke man
Die veel geven kan
Veel geven hoeft jij niet,
Al is het maar een suikerbiet!

Ooit sneed Martinus van Tours zijn soldatenmantel in tweeën en gaf het ene deel aan de minder bedeelden. De armen wisten later de rijke man te vinden ‘die veel geven kan’. Laten wij zien dat de zorg voor de minder bedeelde geen liefdadigheid is, maar dat het enkel het uitvoeren is van het goddelijk gebod ‘Overigens zal niemand van u in armoede leven, want de HEER zal u zegenen in het land dat hij u in bezit zal geven.’ Welvaart brengt ook verplichtingen met zich mee.

Vandaag is het Dankdag voor gewas en arbeid zoals dat zo mooi heet. In veel protestantse kerken in Nederland worden vandaag diensten gehouden om daar bij stil te staan. Danken voor alles wat je het afgelopen jaar ontvangen hebt. Maar… valt er nog wel wat te danken… Als je al lange tijd geleden bent afgestudeerd, je je helemaal suf solliciteert maar overal wordt afgewezen… als je ontslagen bent en het bijkans onmogelijk opnieuw aan de slag te komen… Als je relatie in doodtij is gekomen en je werkelijk niet weet waarom je nog bij elkaar blijft… Als je mensen in je omgeving mist die het afgelopen jaar zijn gestorven… Als…. ja, vul zelf maar verder aan. Valt er dan nog wat te danken? Je eerste en begrijpelijke reactie is ‘nee, echt niet!’

Je klaagt, je balt je vuisten, je schreeuwt het uit, je snapt er helemaal niets meer van. de schreeuw edvard munchEn dan heb je geen behoefte aan goedkope prietpraat in de trant van ‘niet klagen, maar dragen.’ Ook als gelovige mag je het soms helemaal niet meer zien zitten. Een profeet in de Bijbel die dat verwoord is Habakuk: ‘ik sidderde op de plaats waar ik stond.’ zegt hij als hij de oorlogsmacht van Babel op zich af ziet komen en bedenkt wat dat gaat betekenen voor het voortbestaan van de economie en de welvaart van het land. Wat Habakuk zegt zou je kunnen vertalen met ‘ik voelde me diep ongelukkig.’ En dat gevoel hoef je niet zomaar weg te poetsen. Geloven betekent niet: je gevoel uitschakelen. We hoeven niet te doen alsof het leven zo makkelijk is, want er is ook heel veel reden om te zuchten, te klagen. Juist als je dat toelaat, kun je des te sterker zeggen: en toch mag ik juichen. Want er is meer dan ik voel. Mijn gevoel kan zeggen: het wordt niets meer; het is één grote nacht. Maar het TOCH van het geloof ziet het licht van God schijnen in die nacht. Als christen mag je zeggen: ik voel me diepongelukkig, en toch juich ik. Want God de HEER is mijn kracht. Geen mogelijkheden meer zien, toch geloven dat het kan. Geloven dat God alles kan. Voor Hem is niets onmogelijk.

‘Al zal de vijgenboom niet bloeien,
al zal de wijnstok niets voortbrengen,
al zal de oogst van de olijfboom tegenvallen,
al zal er geen koren op de akkers staan,
al zal er geen schaap meer in de kooien zijn
en geen rund meer binnen de omheining –

toch zal ik juichen voor de HEER,
jubelen voor de God die mij redt.
God, de HEER, is mijn kracht.’

Habakuk 3,17-19