Het asiel- en uitzettingsbeleid van de overheid blijft veel Nederlanders bezighouden. Vooral wanneer uitgezetten of uit te zetten personen een gezicht krijgen volgt een golf van medelijden. Te denken valt aan de kortgeleden uitgezonden documentaireserie ‘Uitgezet’ over over het lot van uitgezette asielkinderen en het afschuwelijke verhaal van Renata, ht Georgische meisje dat is uitgezet naar Polen terwijl ze lijdt aan leukemie. Organisaties die de belangen behartigen van asielzoekers gebruiken dit soort verhalen om de asielprocedure in Nederland aan de kaak te stellen.

Even weggeredeneerd van deze concrete gevallen lijkt het me goed om eens vanuit de ethiek het vluchtelingenbeleid tegen het licht te houden. Hierover gaat deze column.

Formeel kunnen volgens de conventie van Genève van 1951 en het bijhorend protocol van 1967 mensen pas als vluchteling worden erkend als ze kunnen aantonen dat ze individueel vervolgd worden door de overheid van hun land wegens hun ras, godsdienst, nationaliteit, politieke overtuiging of omdat ze tot een bepaalde sociale groep behoren. Deze conventie en/of het protocol zijn door 145 landen ondertekend en leveren de meest gebruikte criteria op om iemand als vluchteling te erkennen. Natuurlijk is het duidelijk dat er heel wat andere situaties zijn te bedenken waarin de menselijke waardigheid in het geding is en bescherming verdient. Zo kan ook vervolging door niet-gouvernementele organisaties of door ‘tradities’ (vrouwen die op de vlucht zijn voor vrouwenbesnijdenis, bijvoorbeeld) een reden zijn voor een vluchteling.Mensen kunnen echter ook op de vlucht zijn voor ecologische factoren, burgeroorlogen, overbevolking en armoede. Momenteel is het echter wel zo dat mensen die armoede, werkloosheid en andere sociaal-economische factoren ontvluchten niet in aanmerking kunnen komen voor bescherming hoewel het voor een ieder overduidelijk zal zijn dat bijvoorbeeld armoede de menselijke waardigheid schendt. De vraag is echter of hieraan tegemoet gekomen moet worden via een asielbeleid,goed wetende dat de meest hulpbehoevenden hier toch nooit kunnen geraken.
Wie de menselijke waardigheid van de armsten wil beschermen, kan dat beter op een andere manier doen. Bovendien is het bijzonder moeilijk criteria op te stellen vanaf wanneer mensen als ‘economisch vluchteling’ erkend zouden kunnen worden. Is werkloosheid voldoende of moet men kunnen aantonen dat men het gezin niet meer kan onderhouden en de kinderen honger lijden?
Nogmaals: ik herhaal de doelstelling van het vluchtelingenbeleid in het algemeen: het vluchtelingenbeleid moet erop gericht zijn zoveel mogelijk mensen op te vangen die onvrijwillig hun have en goed hebben moeten verlaten, en effectief bescherming nodig hebben.
wat moeten we dan doen met de middelen die ons ter beschikking staan? Moeten we zoveel mogelijk asielzoekers hier opvangen of moeten we die middelen zo veel mogelijk inzetten voor het creëren van oplossingen in de landen van herkomst van de vluchteling?
Moetn we hen die in ons land asiel aanvragen in het beste geval terugsturen met een terugkeerpremie, of als ze lang genoeg illegaal onderduiken een verblijfstatus geven? Dit is in zekere zin ‘onrechtvaardig’ ten aanzien van de potentiële vluchteling die nooit tot hier is gekomen, of nooit heeft
willen komen.
Het lijkt er sterk op dat, zoals de realiteit nu is, onze verdeling van middelen eigenlijk onrechtvaardig is.
Hier botst het ethisch perspectief van de rechtvaardigheid met het perspectief van het medelijden.
Puur op basis van abstracte rechtvaardigheidsprincipes zullen we vooral moeten investeren in de opvang, vredesprogramma’s, heropbouwprogramma’s
in de landen en regio’s van herkomst.
Maar op basis van de ethiek van het medelijden moet de aandacht vooral gaan naar de concrete mens die zich in onze onmiddellijke omgeving bevindt en
waarvoor we onszelf gemakkelijker verantwoordelijk achten. dubbele moraalEn juist op dat gebied beweegt zich ons gevoel: in de sfeer van de ethiek van het medelijden. Want, o ja, veel mensen zijn voorstander van een streng maar rechtvaardig asielbeleid, maar o wee wanneer een vriendinnetje of
een leerling uit de school wordt teruggestuurd, dan worden er plots door diezelfde mensen solidariteitsacties georganiseerd, brieven geschreven enzovoort.
Anders gezegd: in de ethiek van het medelijden maakt men zich drukker om mensen die terecht worden uitgewezen maar van wie we vinden dat zij ‘om humanitaire redenen’ toch hier zouden mogen blijven terwijl men in de ethiek van de rechtvaardigheid zich druk maakt over elke euro die hier overbodig wordt besteed aan mensen die asiel aanvragen, maar geen kans maken om ooit erkend te worden. Die middelen, zo vindt men dan, zouden kunnen worden aangewend om een vluchtelingenbeleid op wereldschaal beter gestalte te geven. Of nog, vanuit het perspectief van het medelijden is het de bedoeling de mensen die zich hier aandienen zoveel en zo goed mogelijk te helpen.
Vanuit het perspectief van de rechtvaardigheid daarentegen is het niet de bedoeling om hier zoveel mogelijk mensen toe te laten, maar stelt men zich de vraag hoe we de middelen rechtvaardig kunnen besteden om het vluchtelingenbeleid te optimaliseren.

Zeker, zo’n abstracte rechtvaardigheidsethiek is niet ‘menselijk’. Wie het individuele en maatschappelijke leven enkel en alleen zou inrichten op basis van rechtvaardigheidscriteria,die heeft geen leven meer. Anderzijds schiet ook het perspectief van het medelijden tekort. Het medelijden is een essentieel onderdeel (startpunt)van de ethiek, maar de ethiek moet het medelijden verbreden, uitdiepen, rationaliseren en generaliseren. Mensen moeten als morele wezens de onderbuikgevoelens met de meer abstracte principes van het verstand confronteren en omgekeerd.
Het gaat dus om een combinatie: we kunnen het niet maken iemands asielaanvraag te weigeren omdat we al ons geld willen steken in buitenlandse projecten – nog los van de argwaan over het feit of dat inderdaad wel zou gebeuren.
Anderzijds kunnen we het ook niet maken in ons vluchtelingenbeleid enkel rekening te houden met de mensen die naar hier komen om bescherming en
medeleven te vragen en het breder perspectief buiten beschouwing te laten. Maar om deze twee denkwijzes te combineren blijft een erg lastige klus.

We moeten nu echter wel de volgende afweging maken: ofwel is het een nobele doelstelling om de asielprocedure zuiver te houden, op straffe van meer illegale migratie; ofwel willen we de illegale migratie uitbannen door meer asielzoekers tot de procedure toe te laten – ook al hoort men er eigenlijk
niet in thuis. Volgens mij is alleen de eerste optie verdedigbaar.
De bedoeling van de asielprocedure is nog steeds dat de vluchteling bescherming kan worden geboden, niet dat die procedure een aanmeldcentrum wordt voor mensen die hier een tijdje willen verblijven om welke (begrijpelijke) reden dan ook.

Spartaan of Samaritaan? Mijns inziens moeten we dus zowel het een als het ander zijn. Spartaan, naar Sparta wier inwoners – zo wil de overlevering – hun kinderen met harde hand en discipline opvoedden, zowel als Samaritaan, naar de gelijkenis van de barmhartige Samaritaan uit de Bijbel die een onbekende in elkaar geslagen man verzorgde.
Wat duidelijk is dat in de discussie over asiel-, vluchtelingen- en migratiebeleid met regelmaat moreel geladen termen opduiken. Toch moeten we vaststellen dat een echte ethische discussie over de kern van de zaak weinig wordt gevoerd. Meestal trekt men zich terug in het eigen gelijk en de vooroordelen ten aanzien van de tegenspeler.

Ten slotte: is in deze discussie ook nog een taak weggelegd voor de kerk? Volgens mij moet de kerk hierbij haar taak zoals zij die vanouds heeft oppakken, namelijk door een luis in de pels te zijn. Een poging hiertoe deed de Protestantse Kerk in haar communiqué:

‘Wat te doen met uitgeprocedeerde asielzoekers? Ze moeten terug. Maar ze gaan niet allemaal terug. Waarom niet? Sommigen omdat ze bang zijn terug te keren. Anderen omdat ze niet terug kunnen. Weer anderen kunnen wel terug maar willen gewoon in Nederland blijven. Iedereen heeft een eigen verhaal. Van de een klopt het verhaal, van de ander niet.
Net als onder alle groepen zitten er onder asielzoekers goedwillenden en kwaadwillenden. Maar hoe dan ook: ze zijn (nog) in Nederland. De Protestantse Kerk vindt, dat er daarom een zorgplicht is van de overheid voor deze mensen. Klinkeren’, ze op de straat terecht laten komen zonder zorg, is niet goed. Op de straat leven is een slecht leven. Het kan zelfs je dood betekenen. Het is ook niet goed voor de samenleving.
De overheid vindt dat ze geen zorgplicht heeft ten opzichte van hen die illegaal zijn. Om die reden heeft de Protestantse Kerk, via de Europese Raad van Kerken een klacht ingediend bij de Europese Commissie van sociale rechten. Op 1 juli besloot deze commissie dat de klacht ontvankelijk is. Hier is op de website melding van gemaakt. De klacht zal dus in behandeling worden genomen. Wat is de inzet? Dat uitgeprocedeerde asielzoekers recht houden op voedsel, kleding en onderdak. Volgens de Protestantse Kerk heeft ieder dat recht. Volgens de regering alleen zij die hier legaal verblijven. Wat de uitslag is, weten we niet. Het is wel goed nieuws dat de klacht grond genoeg heeft in het Europese recht om serieus genomen te worden.
Waarom vindt de Protestantse Kerk dat de overheid een zorgplicht heeft? In de eerste plaats omdat ook uitgeprocedeerde asielzoekers mensen zijn, die het recht hebben op leven. Laat het zo zijn dat ze hier ten onrechte nog zijn, ook dan laat je mensen niet de noodzakelijke middelen van bestaan ontberen.
In de tweede plaats omdat het hier gaat om mensen die vaak een traumatisch verleden hebben. Ongedocumenteerd op straat komen, voegt nieuwe trauma toe. In de derde plaats, omdat nu wel gebleken is dat niet terug willen heel verschillende redenen heeft. Natuurlijk zitten er kwaadwillenden onder de asielzoekers, maar moeten de goedwillenden daaronder lijden? Is het niet beter de zon te laten opgaan over goeden en kwaden? In de vierde plaats is de uiteindelijke kans op terugkeer groter wanneer er een voortdurende zorgplicht van de overheid is. Anders verdwijnen mensen en keren ze in ieder geval nooit terug.
Terugkeer is vaak het enige wat er op zit. Daar gaat de Protestantse Kerk niet dwars voor liggen. Integendeel. Er zijn zogenaamde transitiehuizen, waar de kerk initiatiefnemer van is. Het gaat dan wel om terugkeer met perspectief. Perspectief op veiligheid, maar ook op de mogelijkheid in het levensonderhoud te voorzien.

De kerk keert zich niet tegen overheden. De kerk gaat ook niet op de stoel van de overheid zitten. De kerk gaat ook niet over de vraag wie wel of niet een status krijgen. Maar de kerk dient wel op te komen voor mensen in de marge. De beschaving wordt afgemeten aan de vraag hoe om wordt gegaan met de wees, de weduwe en de vreemdeling, zo leren we uit de Bijbel. De menselijkheid staat op het spel. Dan kan de kerk niet zwijgen. Dan moet ze spreken, in Gods naam. Desnoods door een klacht.’

Wat mij betreft een stap(je) in de goede richting. Nu nog meer en weer het instituut ‘kerkasiel’ weer afstoffen…

Advertenties