Vanmorgen besprak ik met een clubje theologen de preektekst die volgens het oecumenisch leesrooster voor zondag aanstaande aan de beurt is: Exodus 23,1-17.  Het gedeelte staat in het teken van een uitwerking van een aantal geboden. Vers 8 bleef bij mij haken Neem geen steekpenningen aan, want steekpenningen maken zienden blind en maken eerlijke mensen tot leugenaars. Ik moest denken aan de beelden van de verhoren van de commissie De Wit omtrent de bankencrisis. Hoe kunnen mensen als een Rijkman Groenink zonder verblikken of verblozen hun handelen rechtvaardigen en totaal niet begrijpen dat ze gecorrumpeerd zijn. Daarom ook misschien het opschrift voor deze column uit Ezechiël 14,3 uit de oude NBG 51-vertaling.

Maar… we moeten niet alleen maar naar anderen wijzen als het om deze zaken gaat: hoe zit het met ons zelf als wij ons leven leggen naast de woorden uit Exodus 23,1-17? Hoe gaan wij om met dit alles, met geld en macht en onze houding jegens vreemdelingen?

Wel stof tot nadenken in deze tijd, lijkt me.

Met psalm 51 mogen we dan vragen Schep in mij, God, een hart dat leeft in in ’t licht